De Tweede Kamer denkt over oprichting van een ‘nationale betaal- en spaarbank’. Dit op initiatief van SP-kamerlid Mahir Alkaya. Onlangs heeft een schriftelijke vragenronde plaatsgevonden. De vragen en de antwoorden staan op overheid.nl.

Het voorstel van Alkaya is in lijn met ons voorstel voor een persoonlijke veilige rekening. Wij steunen het initiatief van Alkaya dan ook van harte. Wel kiest Alkaya andere bewoordingen dan wij. Zo spreekt hij van een ‘nationale betaal- en spaarbank’. Daarmee legt hij verbinding met het WRR-rapport ‘Geld en schuld’ en de daaropvolgende discussie over invoering van een publieke bank.

Geen bank

Een bank is een instelling die van het publiek opvorderbaar geld aantrekt én voor eigen rekening krediet verleent (Ons Geld, 2018, The banking privilege). De nationale betaal- en spaarbank gaat echter geen krediet verlenen. Ze onderneemt niets met het geld dat ze in bewaring heeft gekregen. Al dat geld houdt ze aan op haar rekening bij De Nederlandse Bank. Zodoende is de nationale betaal- en spaarbank eigenlijk geen bank. Vandaar dat wij liever spreken over een publieke bewaarinstelling.

Veilig geld en verantwoorde banken

Elke Nederlander kan bij de nationale betaal- en spaarbank een persoonlijke veilige rekening aanhouden. Deze rekening is veilig omdat het tegoed op die rekening volledig is gedekt met centrale bank geld. Als alle rekeninghouders hun tegoed contant opnemen is dat geen probleem. De nationale betaal- en spaarbank zal nooit hoeven te worden gered, en heeft ook geen behoefte aan depositogaranties. Zelfs als de financiële markten totaal instorten blijft deze publieke bewaarinstelling overeind. Als iedereen zijn geld bij de nationale betaal- en spaarbank bewaart, kan de overheid insolvente banken gewoon failliet laten gaan. De Europese bankenunie wordt dan overbodig. Banken worden dan gedwongen om zich verantwoordelijker te gaan gedragen. De WRR zegt daarover:

“(…) het creëren van een veilig alternatief kan juist bijdragen aan een stabieler systeem. Het feit dat men een daadwerkelijk alternatief heeft, zal een disciplinerend effect hebben op de bestaande banken. Het zal banken dwingen zich verantwoorder te financieren, met meer eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen met een lange looptijd. De creatie van geld en schuld door commerciële banken wordt op die manier ook beter begrensd.” WRR, 2019, Geld en schuld, pagina 237.

Vragen en antwoorden

Dit document bevat een verkorte weergave van de vele vragen die de Tweede Kamerfracties aan Alkaya hebben gesteld. Daarbij geven wij antwoorden, zoals wij die zouden geven, vanuit het perspectief van de veilige rekening. De oorspronkelijke vragen en de antwoorden van Alkaya vindt u op de website van de overheid (TK 35 107, nr. 4). Wij hebben de vragen soms wat aangepast voor de leesbaarheid of om ze beter aan te laten sluiten op de onderhavige situatie.

U kunt dit document ook downloaden als pdf.

Definities

In dit document worden de volgende definities gehanteerd.

Depositobank: een private full reserve instelling zoals in 2016 voorgesteld door de stichting Full Reserve, of een variant daarop.

Full reserve instelling: een instelling die nominaal opvorderbare gelden van het publiek in bewaring neemt en deze daartoe aanhoudt op haar rekening bij de centrale bank, en die bovendien geen andere activiteit ontplooit dan het beschikbaar houden van de in bewaring genomen gelden voor de rekeninghouder.

Publieke bewaarinstelling: een overheidsinstelling die nominaal opvorderbare gelden van het publiek in bewaring neemt en deze daartoe aanhoudt op haar rekening bij de centrale bank, en die bovendien geen andere activiteit ontplooit dan het beschikbaar houden van de in bewaring genomen gelden voor de rekeninghouder (een publieke full reserve instelling dus).

Veilige rekening: een rekening die wordt aangehouden bij de publieke bewaarinstelling en die voor 100% is gedekt met centrale bank geld. Zie: Ons Geld, 2019, Een veilige rekening voor iedereen.

Nationale betaal- en spaarbank: dit is de naam die Tweede Kamerlid Mahir Alkaya gebruikt voor de publieke bewaarinstelling. Wij proberen het woord ‘bank’ echter te vermijden, omdat de publieke bewaarinstelling, net als de nationale betaal- en spaarbank, geen krediet gaat verlenen. Daarmee voldoet zij niet aan de definitie van bank.

Vragen van Kamerleden en antwoorden van Ons Geld

Is er in andere landen al een depositobank opgericht?

In de Verenigende Staten is een depositobank opgericht (The Narrow Bank). Deze mag van de Amerikaanse toezichthouder, de FED, echter nog niet van start gaan. Eerst wil de FED de mogelijkheid hebben om geen rente uit te keren over de tegoeden die deze depositobank aanhoudt bij de FED.

In Noorwegen is een depositobank actief. Deze levert echter geen betaaldiensten en is gericht op personen met heel veel geld.

Verder bestaat er -voor zover wij weten- nog nergens een depositobank. Wel maken sommige centrale banken het mogelijk dat sommige niet-banken geld kunnen aanhouden bij de centrale bank. Zij hanteren daarbij afwijkende voorwaarden. Zo wordt er geen rente berekend over het tegoed van niet-banken, en blijven depositogaranties buiten toepassing.

Meer over de ontwikkeling in andere landen leest u in het memo full reserve.

Waarom is er nog geen veilige rekening?

Invoering van de veilige rekening stelt banken bloot aan marktdiscipline. Centrale banken staan daar huiverig tegenover. Zij beschouwen het als hun taak om te zorgen dat het vertrouwen in de banken nooit verloren gaat. Daarom bestaat bij hen weerstand om banken aan marktwerking te onderwerpen. Marktwerking impliceert immers dat de spaarder zich afvraagt welk risico hij neemt door geld uit te lenen aan een bank, en dat hij daarvoor een passende rente vraagt. Marktwerking stelt het vertrouwen in de banken voortdurend op de proef. Daar wordt -zoals de WRR ook stelt- het monetair-financieel stelsel uiteindelijk sterker van. Plotseling onbegrensd marktwerking invoeren baart de centrale banken echter terecht zorgen. Dit moet dan ook geleidelijk gebeuren.

Om de weerstand bij centrale banken weg te nemen dienen zij passende instrumenten in handen te krijgen om de onderwerping van banken aan marktdiscipline in goede banen te leiden. In ons voorstel wordt daartoe een begrenzing aangebracht in het bedrag dat per persoon vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden. Deze begrenzing kan in de loop der tijd geleidelijk worden verhoogd, naarmate banken toe zijn aan disciplinering door de markt. Bepaling en geleidelijke verhoging van deze begrenzing moet in overleg met de centrale bank gebeuren.

In  ‘Nieuwe instrumenten voor monetair beleid‘ leggen we uit hoe deze begrenzing werkt. Er wordt geen harde bovengrens gehanteerd voor het tegoed op de veilige rekening. In plaats daarvan wordt bepaald welk tegoed per persoon vrijelijk kan worden aangehouden op de veilige rekening. Het meerdere wordt progressief belast. Bepaling van het vrije bedrag en van de belastingtarieven zijn nieuwe instrumenten voor monetair beleid, waarmee de centrale bank effectiever en minder marktverstorend kan opereren. Deze instrumenten reiken dan ook verder dan alleen een beheerste invoering van de veilige rekening.

Door invoering van de persoonlijke veilige rekening kan het maatschappelijke belang van een stabiel en dienstbaar geldstelsel voorop komen te staan in de wijze waarop het geldstelsel wordt ingericht en beheerd.

Kan DNB de veilige rekening niet beter zelf aanbieden?

De toezichthouder (DNB) moet geen concurrent worden van de banken, betaaldienstverleners en andere marktpartijen die onder zijn toezicht staan. Hij moet ook niet zelf de activiteiten verrichten waarop hij toezicht houdt. Bovendien moet DNB volgens artikel 127 VWEU handelen in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging. Gelet op een goede marktordening ligt aanbieding van de veilige rekening door de centrale bank(en) aan het publiek dan ook niet voor de hand.

We hebben toch al een depositogarantiestelsel (DGS) om risico’s voor klanten weg te nemen?

Het DGS is primair bedoeld om een risico bij banken weg te nemen, namelijk het risico van een bankrun. Dit geeft banken echter perverse prikkels. Het helpt hen om risico’s op de samenleving en andere banken af te schuiven. Bovendien ondermijnt het DGS de concurrentie in de kredietverlening. Dankzij DGS kunnen banken zich goedkoper financieren dan niet-banken. Dat gaat ten koste van marktwerking en diversiteit.

De veilige rekening strekt ertoe om het risico van een bankrun geleidelijk en op marktgeoriënteerde wijze te verminderen door banken te stimuleren zich op een meer verantwoorde wijze te financieren. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) die op pagina 237 van zijn rapport ‘Geld en schuld’ betoogt dat: “(...) het creëren van een veilig alternatief kan (…) bijdragen aan een stabieler systeem. Het feit dat men een daadwerkelijk alternatief heeft, zal een disciplinerend effect hebben op de bestaande banken. Het zal banken dwingen zich verantwoorder te financieren, met meer eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen met een lange looptijd. De creatie van geld en schuld door commerciële banken wordt op die manier ook beter begrensd.”

Voorts beoogt het DGS relatief kleine tegoeden (tot 100.000 euro) te beschermen. De kosten van deze bescherming zijn onbekend en in het ergste geval extreem groot. Bij een totale ineenstorting van het financiële stelsel staat de belastingbetaler de facto garant.

Omdat bescherming van de banken in het DGS voorop staat kunnen vermogende personen voor een veelvoud van 100.000 euro gebruik maken van depositogaranties. Dit zorgt voor ongelijkheid, waarbij minder vermogende belastingbetalers het risico lopen om de meer vermogende personen per saldo voor hun verliezen te moeten compenseren.

Bij bescherming van spaar- en betaalgeld via een publieke bewaarinstelling zijn de kosten van die bescherming gelijk aan de operationele kosten van de bewaarinstelling. Er hoeven geen garanties te worden gegeven, en in tijden van crisis ook geen vergoedingen te worden betaald. Afgezien van een eventuele toename in de operationele kosten, nemen de kosten en risico’s voor bescherming van spaar- en betaalgeld via een publieke bewaarinstelling niet toe, naarmate het beschermde bedrag toeneemt.

De veilige rekening is de meest (kosten)effectieve, marktgeoriënteerde en eerlijke manier om de veiligheid van het spaar- en betaalgeld te garanderen, en het monetair-financieel systeem stabieler te maken. De veilige rekening helpt bovendien om overheidsinmenging met de banken terug te dringen en de diversiteit in het bankenlandschap te vergroten. Dat zorgt dat de belastingbetaler op termijn niet meer als achtervanger hoeft te dienen bij bankfaillissement.

Wat vinden jullie van het voorstel van het Sustainable Finance Lab (SFL) om DNB een rol te geven in het verstrekken van risicovrije rekeningen?

Dit lijkt voor de hand liggend maar is het niet. De toezichthouder (DNB) moet geen concurrent worden van de banken en betaaldienstverleners die onder zijn toezicht staan. Ook moet de toezichthouder niet zelf uitvoering geven aan processen waarop hij toezicht houdt.

Hoeft de centrale bank dan helemaal niet betrokken te worden?

De centrale bank moet geen consumentenrekeningen gaan aanbieden. Wel moet de centrale bank als toezichthouder en monetaire autoriteit betrokken worden bij de vormgeving van de veilige rekening en de publieke bewaarinstelling. Deze betrokkenheid betreft met name de instrumenten waarmee wordt gezorgd dat invoering van de veilige rekening geleidelijk en op beheerste wijze plaatsvindt, zodat banken gelegenheid hebben zich in te stellen op de marktwerking waaraan ze ingevolge de veilige rekeningen worden blootgesteld.

Moet er niet eerst een experiment worden gedaan, zoals voorgesteld door het Sustainable Finance Lab (SFL)?

Een proef georiënteerd op consumentengedrag achten wij niet zinvol. Dit gedrag wordt namelijk primair bepaald door prijsprikkels, gerelateerd aan kosten, rente en risico perceptie. Deze kunnen ook op papier worden gesimuleerd. Cruciaal is bovendien wat er gebeurt in crisissituaties. Tijdens crises zullen consumenten de voor hun minst nadelige positie opzoeken. De vraag is of en in welke mate consumenten dan een veilig heenkomen wordt geboden. Daarvoor zullen de kaders moeten worden gesteld. Deze hangen niet samen met consumentengedrag. Ze hangen samen met de mate waarin banken een plotselinge uitstroom van spaargeld aankunnen. Dit behoort tot de competentie van de centrale bank. DNB behoort dan ook te worden betrokken bij ontwerp en besturing van de instrumenten waarmee de invoering van een veilige rekening op beheerste wijze kan geschieden.

Wat bedoelen jullie met een veilige rekening?

De veilige rekening is een veilig alternatief voor de bankrekening. De veilige rekening is persoonlijk en kan door de houder worden ondergebracht bij een betaaldienstverlener naar keuze. Bij overstap naar een andere betaaldienstverlener neemt de rekeninghouder zijn veilige rekening onveranderd mee. De publieke bewaarinstelling waar de veilige rekening wordt aangehouden concurreert niet met banken en andere betaaldienstverleners. Het is een platform dat gelijk speelveld biedt voor banken en betaaldienstverleners. Ook voor nieuwkomers en nieuwe digitale geldvormen biedt het toegang tot de netwerkvoordelen van de algemene betaalinfrastructuur.

De veilige rekening draagt bij aan de innovatie en diversiteit in het bankenlandschap, terwijl de veiligheid van het geldstelsel gewaarborgd blijft. De veilige rekening is goed te combineren met het voorstel van Triodosbank voor een bankgirocentrale 2.0. De veilige rekening behoort voor 100% bij de overheid. De digitale ontsluiting van de veilige rekening kan evenwel in publiek-private samenwerking vorm worden gegeven.

Wat wordt bedoeld met ‘bankgirocentrale 2.0’?

De bankgirocentrale 2.0 is een voorstel van Triodosbank om de betaalinfrastructuur in een publiek-private samenwerking gezamenlijk te voorzien. Dit ter besparing van kosten en voor stroomlijning van ken-uw-klant processen en signalering van verdachte transacties. Gelet op de kosten van het betalingsverkeer en de hoge en zeer kostbare eisen die door de overheid aan banken worden gesteld, acht Triodosbank het opportuun om de betaalinfrastructuur gezamenlijk, en dus niet voor elke bank afzonderlijk, te organiseren. Met haar voorstel erkent Triodosbank dat het hier eigenlijk om een publieke nutsfunctie gaat. Ze onderkent bovendien dat dit niet haar kernactiviteit is als bank.

Wat vinden jullie van de Libra, de digitale munt van Facebook?

De door Facebook voorgestelde munt, de Libra, toont in welke richting het gaat wanneer de overheid niet zelf gaat zorgen voor digitaal en veilig geld. Dan is de volledige privatisering en supranationalisering van het geldstelsel een kwestie van tijd. De overheid verliest dan zeggenschap en controle over de wijze waarop het geldstelsel wordt geëxploiteerd. Dit is een bedreiging van de financiële stabiliteit en van de democratie. De veilige rekening is het noodzakelijke en enige juiste antwoord op de digitalisering en supranationalisering van geld.

Meer over de Libra leest u in ‘Libra: mijlpaal in de privatisering van geld’ en ‘Wat Europa tegen de Libra kan doen’.

Mogen de politiek en de centrale bank eigenlijk wel samenwerken?

Krachtens artikel 130 VWEU is het centrale banken niet “toegestaan instructies te vragen aan dan wel te aanvaarden” van de politiek, aangaande “de uitoefening van de bevoegdheden en het vervullen van de taken en plichten die bij de Verdragen en de statuten van het ESCB en van de ECB aan hen zijn opgedragen”.

De politiek dient ingevolge hetzelfde artikel “niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de Europese Centrale Bank of van de nationale centrale banken bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden”.

Het bieden van een veilig alternatief voor de bankrekening betreft de marktordening. Het valt derhalve niet onder de taken, bevoegdheden en verplichtingen waarvoor artikel 130 VWEU autonomie voor de centrale bank beoogd.

Wel zijn er raakpunten met deze taken. Het gaat dan om de bepaling en uitvoering van het monetaire beleid en de bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer (artikel 127 VWEU). Daaruit is af te leiden dat de publieke bewaarinstelling onder toezicht hoort te staan van DNB. Ook zal het bedrag dat een persoon vrijelijk op zijn veilige rekening kan aanhouden, in overleg met DNB moeten worden bepaald. Op die specifieke punten past politieke terughoudendheid. Dit is echter geen enkel beletsel voor samenwerking tussen politiek en centrale bank om de veilige rekening spoedig en op verantwoorde wijze in te voeren.

Hoe is de situatie in Zweden?

In Zweden heeft de nationale centrale bank (‘Riksbank’) zelf aangedrongen op een parlementaire commissie ter begeleiding van haar e-krona project. Dat project betreft introductie van een digitale variant van de nationale munt. Dat project is ingegeven door het in ongebruik raken van contant geld in Zweden. Het gaat in Zweden dus niet om een veilig alternatief voor de bankrekening, maar om digitalisering van contant geld. Toch treedt hierbij vergelijkbare problematiek op daar de e-krona in de praktijk wel kan werken als alternatief voor de bankrekening.

Wat vinden jullie van de ‘Geldmaat’; de samenwerking van banken om in alle delen van Nederland een pinautomaat beschikbaar te houden?

Wij vinden samenwerking van de banken op dit vlak gepast. Daarmee geven ze invulling aan een voorziening die een publiek belang dient, en die toenemend onder druk staat vanwege de kosten van die voorziening, en afnemend belang voor de banken om die voorziening te verzorgen. Het lijkt ons goed als er een vergelijkbare samenwerking ontstaat rondom de digitale betaalinfrastructuur, zoals ook voorgesteld door Triodosbank (‘bankgirocentrale 2.0’). Dan is het nog maar een kleine stap om deze samenwerking een publiek-private vorm te geven met medeneming van de veilige rekening als publieke basisvoorziening die alle betaaldienstverleners onder gelijke condities in hun betaalomgeving kunnen opnemen.

Hoeveel veilige rekeningen kan ik straks aanhouden? Is het een betaal- of een spaarrekening?

Het gaat om één veilige rekening per persoon, waarmee ook betalingen kunnen worden verricht. Technisch gesproken gaat het derhalve om een betaalrekening. Niet alleen dient te worden geborgd dat het geld 100% veilig is. Ook dient te worden geborgd dat het betalingsverkeer onder alle omstandigheden kan blijven voortgaan. Daarom moet het een betaalrekening zijn.

Draagt de veilige rekening bij aan de veiligheid van het betalingsverkeer?

De veilige rekening draagt op verschillende manieren bij aan de veiligheid van het betalingsverkeer. Allereerst biedt het een alternatief voor de bankrekening dat niet onderhevig is aan krediet- en marktrisico.

Voorts stimuleert het marktwerking, innovatie en grotere verscheidenheid van betaalvormen, terwijl de stabiliteit en beheersbaarheid van het algemene geldstelsel verbetert. Naast de veilige rekening zullen tal van private betaalvormen en -middelen kunnen bestaan, in vrije koersverhouding met de euro. Deze behoren (op termijn) niet (meer) te worden geborgd door of via de overheid. Ze hoeven (daardoor) echter niet te worden teruggedrongen, en kunnen altijd als back-up dienen mocht het publieke geldstelsel bijvoorbeeld doelwit van cyberoorlogsvoering zijn, of de euro zelf te gronde gaan door onverantwoord monetair beleid.

Veiligheid wordt ook geboden door de beschikbaarheid van contant geld. Deze beschikbaarheid staat thans onder druk. Dit hangt samen met de (dreiging) van negatieve rente, en de verwachting dat op termijn zelfs diep negatieve rentes nodig zullen zijn. Zo publiceerde het IMF onlangs een rapport waarin strategieën worden beschreven om contant geld uit te rangeren om diep negatieve rentes mogelijk te maken (IMF working paper, WP/19/84, Enabling Deep Negative Rates to Fight Recessions: A Guide, Ruchir Agarwal and Miles S. Kimball). Wij achten die ontwikkeling zeer ongewenst, onder andere omdat contant geld de ultieme remedie is tegen cyberaanvallen en stroomuitval.

Invoering van de veilige rekening maakt negatieve rentes overbodig en op termijn zelfs onmogelijk. Ze worden overbodig omdat via de veilige rekening het overschot aan spaargeld bij de banken kan worden weggehouden. Ze worden onmogelijk omdat de veilige rekening banken toenemend aan marktdiscipline blootstelt. Via de veilige rekening verkrijgen spaarders onderhandelingsmacht jegens de banken waarbij zij geen negatieve rente meer zullen (hoeven) accepteren. De reden om contant geld uit te bannen is dan weggenomen. Ook op die wijze draagt de veilige rekening bij aan de veiligheid van het betalingsverkeer. Meer hierover leest u in ‘Oorzaak en oplossing van de aanhoudend lage rente’.

Hoe verhoudt de veilige rekening zich tot de huidige infrastructuur voor clearing en settlement?

De publieke bewaarinstelling neemt deel aan Target2. Dit behoeft geen enkele technologische aanpassing. Wel zal het gewenst zijn om de veilige rekening aan bepaalde instrumenten te onderwerpen om de invoering ervan in goede banen te leiden. Waaronder met name limitering van het bedrag dat per persoon vrijelijk op zijn veilige rekening kan worden aangehouden. Zie meer uitgebreid ‘ nieuwe instrumenten voor monetair beleid‘.

Wat is het verdienmodel van de publieke bewaarinstelling?

De publieke bewaarinstelling heeft geen verdienmodel. Het is een algemene nutsvoorziening, zoals de politie en de brandweer. De veilige rekening vervult een randvoorwaarde voor een deugdelijke marktordening en is de meest (kosten)effectieve manier om het geld veilig te stellen. Wanneer de veilige rekening is ingeburgerd hoeven banken niet meer te worden gered met belastinggeld, en wordt het geldstelsel bestuurbaar.

Is te garanderen dat de publieke bewaarinstelling ook bij interne criminaliteit 100% veilig is?

Nee. Met ‘veilig’ bedoelen we vrij van krediet- en marktrisico. Niet vrij van elk denkbaar risico.

Is het geld op de veilige rekening ook veilig als het financiële stelsel totaal instort?

Ja. Het geld op de veilige rekeningen representeert de euro en is niet afhankelijk van onderliggende waarde die onderuit kan gaan zoals bankactiva. Pariteit (1 op 1 inwisselbaarheid) met de euro is inherent. Daarin verschillen tegoeden op de veilige rekening van bancaire tegoeden. Bij die laatste wordt pariteit kunstmatig bewerkstelligd door (nood)kredietverlening aan de banken (‘lender-of-last-resort’), depositogaranties en uitvoering van interbancaire verrekening door de centrale bank. Voor de veilige rekening is die staatssteun niet nodig. De kostprijs van het veiligstellen van geld is beperkt tot de operationele kosten van de publieke bewaarinstelling.

Waarom vinden jullie dat depositogaranties moeten worden afgebouwd?

Omdat de publieke garantie op een minder risicovolle, (kosten)effectievere en minder marktverstorende manier kan worden georganiseerd.

Waarom is een veilige rekening beter dan depositogaranties?

De veilige rekening biedt echte zekerheid. Depositogaranties zijn voor de belastingbetaler mogelijk een sigaar uit eigen doos.

De veilige rekening zorgt bovendien voor een scherpe en van tevoren kenbare afbakening van vermogen dat wel, en vermogen dat niet door de overheid wordt gegarandeerd. Daardoor is de financiële impact van deze garantie van tevoren bekend en begrensd. Namelijk tot de kosten van het bieden van de veilige rekeningen.

Depositogaranties verstoren de marktwerking. De veilige rekening zorgt juist dat de markt zijn werk kan doen. Zie bijvoorbeeld ‘Oorzaak en oplossing van de aanhoudend lage rente’.

Levert de publieke bewaarinstelling geen oneigenlijke concurrentie voor depositobank?

Het particuliere initiatief van depositobank is gestrand op juridische belemmeringen. De initiatiefnemer van depositobank, stichting Full Reserve, huldigt inmiddels zelf het standpunt dat de overheid zelf een full reserve rekening moet gaan aanbieden als nutsvoorziening.

Banken en betaalinstellingen kunnen onder gelijke voorwaarden de persoonlijke veilige rekening van hun klanten in hun betaalomgeving integreren. Vanuit de markt zal dan ook geen behoefte bestaan aan autonome aanbieding van full reserve rekeningen aan spaarders.

De veilige rekening gaat deeluitmaken van de diensten van banken en andere betaaldienstverleners. De veilige rekening wordt daartoe opgenomen in hun betaalomgeving. De rekeninghouder bepaalt wie toegang heeft tot zijn betaalgegevens, en wie hem welke betaaldiensten zal verlenen. Op deze wijze treedt de publieke bewaarinstelling niet in concurrentie met betaaldienstverleners, maar biedt zij een platform voor gelijk speelveld met lage toetredingsdrempel voor alle marktpartijen met vergunning om in Nederland betaaldiensten te verlenen.

Is de publieke bewaarinstelling niet onveiliger dan een bank met depositogarantie?

Bij de publieke bewaarinstelling is het hele tegoed gedekt met centrale bank geld. Dit betekent onder andere dat het te allen tijde in contanten kan worden opgenomen. Stel dat het gehele financiële stelsel zou instorten, zoals in 2008 dreigde te gebeuren, dan is het maar de vraag of depositogaranties de gevraagde zekerheid bieden. Hoogstwaarschijnlijk zal het voor de belastingbetaler een sigaar uit eigen doos blijken te zijn. Tegoed op de veilige rekening blijft daarentegen overeind ook als alle commerciële banken onderuitgaan.

Gaat het financiële stelsel door de veilige rekening beter functioneren?

Ja. Het marktmechanisme voor vermogensverschaffing gaat beter functioneren wanneer spaarders bewustere keuzes maken ten aanzien van de beschikbaarstelling van hun spaargeld. De veilige rekening maakt dat mogelijk. Daarbij krijgen banken de handen vrij om met minder overheidsbemoeienis te gaan ondernemen en innoveren. Innovatie en marktwerking zijn ermee gebaat als banken gewoon failliet kunnen gaan.

Hoe kan de publieke bewaarinstelling winstgevend zijn?

De publieke bewaarinstelling is geen bank en onderneemt niets met het haar toevertrouwde geld. Deze instelling hoeft niet winstgevend te zijn. De winst zit onder andere in de grotere efficiency en kostenbeheersing bij het veiligstellen van geld, verbetering van de marktwerking bij vermogensverschaffing en grotere stabiliteit en beheersbaarheid van het monetair-financieel stelsel.

Dat neemt niet weg dat de publieke bewaarinstelling wel (zeer) winstgevend kan worden. Dat hangt samen met de heffing van een progressieve belasting over ‘excessieve’ tegoeden op de veilige rekening. De opbrengst van deze heffing stroom in de schatkist. De hoogte van die heffing wordt echter niet ingegeven door budgettaire behoeften van de publieke bewaarinstelling, noch van het Rijk. Deze behoort tot het monetair beleid. Meer hierover leest u in ‘Nieuwe instrumenten voor monetair beleid’.

Waarom willen jullie een veilige rekening als de burger zijn geld nu al ‘publiek verankerd’ veilig kan stallen via het depositogarantiestelsel (DGS)?

Omdat het DGS een marktverstorende niet kosteneffectieve oplossing is tegen onverantwoorde maatschappelijke kosten en risico’s. Dit kan en moet beter. De politiek moet hierin het voortouw nemen. Het gaat om een ordeningsvraagstuk.

De veilige rekening is superieur aan het DGS. De veilige rekening stimuleert marktwerking. DGS ondermijnt marktwerking (en stimuleert moral hazard). De veilige rekening beschermt de geldomloop. DGS beschermt de banken (tegen een bankrun). De kosten van de veilige rekening zijn kenbaar en begrensd, ook bij totale ineenstorting van het financiële stelsel. De potentiële kosten van het DGS zijn onbegrensd. Als het financiële stelsel instort sleept DGS de overheid mee in de val. De veilige rekening daarentegen blijft ook bij ineenstorting van het financiële stelsel zonder meerkosten overeind. Deze en andere elementen die pleiten voor een veilige rekening en tegen DGS,  zijn elders in dit document toegelicht.

Wat is het effect van negatieve spaarrentes op een depositobank?

Wanneer banken negatieve spaarrentes in rekening brengen terwijl de veilige rekening rentevrij is, dan ligt het voor de hand dat spaarders een voorkeur zullen ontwikkelen voor de veilige rekening.

Wij hebben echter moeite met het fenomeen negatieve rente. Indien de markt naar behoren zou functioneren zou verschaffing van vreemd vermogen nooit met negatieve rente worden belast. Op een functionerende markt reflecteert de rente het risico dat met vermogensverschaffing wordt genomen. Negatieve rente bewijst dat de markt niet functioneert en dus anders moet worden georganiseerd. Invoering van de veilige rekening maakt het mogelijk om dit te gaan realiseren. Meer hierover leest u in ‘Oorzaak en oplossing van de aanhoudend lage rente’.

Wat gebeurt er met de stabiliteit van het financiële stelsel als spaarders in tijden van crisis massaal hun geld op hun veilige rekening zetten en dus weghalen bij de banken?

Invoering van de veilige rekening moet geleidelijk gebeuren zodat banken zich erop kunnen instellen. Daartoe wordt de veilige rekening onderworpen aan specifieke instrumenten die de toezichthouder in staat stellen om het proces waarin banken geleidelijk aan marktwerking worden blootgesteld in goede banen te leiden. Ook in crisissituaties mag het niet mogelijk zijn om banken verder in problemen te brengen. Allereerst is hierbij te denken aan begrenzing van het bedrag dat per persoon vrijelijk op zijn veilige rekening kan worden aangehouden. In aanvulling zijn additionele instrumenten te overwegen die een uitstroom van spaartegoeden uit de banken in crisissituaties remmen, zoals een tijdelijke stop op uitgifte van nieuwe veilige rekeningen, en tijdelijke begrenzing van het bedrag dat per dag naar een veilige rekening kan worden overgemaakt.

Hoe kan worden bijgestuurd als er zich ongewenste effecten voordoen na invoering van de veilige rekening?

De veilige rekening kan vanaf de introductie bijdragen aan effectiever en minder marktverstorend monetair beleid. Dat is het geval indien in aanvulling op de begrenzing van het bedrag dat per persoon vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden, het meerdere progressief wordt belast. Een uitwerking hiervan leest u in ‘Nieuwe instrumenten voor monetair beleid’. Met een dergelijke heffing ontstaat dan een instrument waarmee eenmaal toegekende vrije ruimte op de veilige rekening kan worden teruggedrongen, mocht dat noodzakelijk blijken te zijn. Daarbij ontstaan bovendien nieuwe belastinginkomsten waarmee de publieke bewaarinstelling bekostigd kan worden.

Met deze instrumenten wordt de invoering van de veilige rekening en daarmee de blootstelling van banken aan marktwerking nauwkeurig beheersbaar.

Waar worden de gelden precies gestald?

De gelden worden aangehouden bij een publieke bewaarinstelling. Deze instelling onderneemt niets met de van haar rekeninghouders ontvangen gelden. Zij houdt deze gelden aan op haar rekening bij DNB.

Wie is verantwoordelijk voor het beheer van deze gelden?

Uitsluitend de rekeninghouder is verantwoordelijk voor het beheer van zijn geld. De publieke bewaarinstelling onderneemt niets met dat geld.

Wordt de publieke bewaarinstelling aangesloten op het systeem van de Europese Centrale Bank (ECB)?

De publieke bewaarinstelling dient een rekening te hebben bij DNB en toegang te hebben tot het betaalsysteem van de ECB: TARGET2.

Beïnvloedt de veilige rekening de mogelijkheid van banken om negatieve rente te heffen?

De veilige rekening is het gepaste antwoord op (dreiging van) negatieve spaarrente. De aanhoudend dalende en straks mogelijk zelfs negatieve spaarrente zijn het gevolg van een gebrek aan marktwerking.1 De veilige rekening verbetert de onderhandelingspositie van de spaarders door hen een alternatief te bieden. Hierdoor zullen zij geen lagere rente hoeven te accepteren dan die op de veilige rekening wordt geboden (nul procent). De veilige rekening is renteloos daar er niets met het geld van de rekeninghouder ondernomen wordt.

Hier is een raakvlak met de competentie van het Europese Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Het ESCB zal voor de veilige rekening specifiek beleid moeten ontwikkelen. De Amerikaanse Federal Reserve (‘FED’) is het ESCB daarin al voorgegaan door aankondiging van een specifiek beleid voor depositobanken (en banken die daarop lijken), dat het mogelijk maakt om ten aanzien van deze banken een andere rente (lees: geen rente) te berekenen.

Ook de Bank of England en de Zwitserse centrale bank (SNB) hebben inmiddels specifiek beleid ingevoerd voor niet-banken die tegoed aanhouden bij de centrale bank. Dit beleid komt erop neer dat deze tegoeden zijn uitgezonderd van de beleidsrente van de centrale bank. In Zwitserland zijn deze tegoeden uitdrukkelijk vrijgesteld van het depositogarantiestelsel. In het Verenigd Koninkrijk volgt die vrijstelling reeds uit het feit dat het hier gaat om tegoeden die worden aangehouden door niet-banken (‘non-bank PSP’).

Meer over de ontwikkeling in andere landen leest u in het ‘memo full reserve’.

Monetair beleid rond de veilige rekening betreft niet alleen de publieke bewaarinstelling, maar ook de veilige rekening zelf. Het gaat daarbij om limitering van het bedrag dat per persoon vrijelijk op die rekening kan worden aangehouden, en om bepaling van de tarieven waarmee het meerdere wordt belast, zoals ook uiteengezet in ‘Nieuwe instrumenten voor monetair beleid’. Een gevolg hiervan is dat de prijs die vermogende marktpartijen bereid zijn om te betalen voor veilig geld, ten goede komt aan degene die deze veiligheid garandeert: de overheid (en in het verlengde daarvan de belastingbetaler).

Hoe wordt mogelijke leegloop van de publieke bewaarinstelling opgevangen wanneer de rente bij banken weer stijgt?

Leegloop bij de publieke bewaarinstelling is geen probleem voor die instelling, daar zij gelden enkel in bewaring heeft en er niets mee onderneemt. Echter, leegloop kan ook weer omslaan in volloop, en daarmee (plotselinge) leegloop bij de banken. Wanneer dat zo blijft kan het bedrag dat per persoon vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden niet groot zijn. Namelijk niet groter dan verantwoord is gelet op een leegloop die de banken kunnen opvangen.

Invoering van de veilige rekening is een maatregel die het mogelijk maakt om banken aan marktdiscipline te onderwerpen. Daarbij gaan banken zich, zoals de WRR stelt, verantwoorder financieren. Met dat doel voor ogen ligt het voor de hand om depositogaranties af te bouwen, zodat spaarders meer risicobewust worden en ook een passende rentevergoeding gaan verlangen voor het risico dat ze nemen door geld ter beschikking te stellen aan een bank.

Groei van het bedrag dat per persoon op zijn veilige rekening kan worden aangehouden hoort gepaard te gaan met afbouw van depositogaranties. Uiteindelijk moet niet het renteverschil tussen de veilige rekening (renteloos) en een bankrekening maatgevend zijn voor de vermogensverschaffing aan banken. Het risico van die vermogensverschaffing alsmede de aanvaarding van dat risico moeten daarvoor maatgevend zijn. Dan kan het marktmechanisme rond de rente naar behoren gaan functioneren.

Onder die omstandigheden zal het maatschappelijke risico van in- en uitstroom uit de banken geleidelijk afnemen. Het probleem van een bankrun wordt dan op marktgeoriënteerde wijze, en met steeds minder overheidsinmenging aangepakt. Bovendien komt het risico ervan dan te liggen waar het hoort: bij desbetreffende bank en niet bij de belastingbetaler.

Is deelname aan het depositogarantiestelsel (DGS) een onzinnige eis voor de publieke bewaarinstelling? Volgt dat ook uit het systeem van het DGS?

Ja, dat is onzinnig en dat volgt ook uit het systeem voor depositogaranties.

Depositogaranties zijn oorspronkelijk ingevoerd om banken tegen een bankrun te beschermen.2 De publieke bewaarinstelling behoeft deze bescherming niet. Zij komt niet in de problemen als al haar rekeninghouders hun tegoeden plotseling onttrekken. Deze tegoeden worden immers geheel aangehouden in centrale bank geld.

Depositogaranties bieden rekeninghouders (met een tegoeden tot 100.000 euro) bescherming tegen het faillissement van hun bank. Banken financieren hun onderneming (deels) met het geld van hun rekeninghouders, en kunnen als onderneming falen. De publieke bewaarinstelling onderneemt niets met het geld van haar rekeninghouders. Ook overigens ontplooit zij geen andere activiteiten. De risico’s waartegen depositogaranties zekerheid bieden zijn bij de publieke bewaarinstelling niet aanwezig.

Dat neemt niet weg dat ook de publieke bewaarinstelling zekere garanties moet kunnen bieden, zoals in het geval van diefstal en cyberaanvallen. Dit is echter geen risico dat specifiek via DGS is gedekt.

Loopt de publieke bewaarinstelling niet tegen dezelfde belemmeringen aan waarop depositobank is vastgelopen?

Voor de publieke bewaarinstelling gelden niet de belemmeringen waarop de private depositobank is vastgelopen. Dat komt doordat de regels voor Lidstaten veelal soepeler zijn dan voor gewone marktpartijen.

Zo komen overheidsinstellingen die gemachtigd zijn om voor klanten rekeningen aan te houden in aanmerking voor toegang tot het interbancaire betaalsysteem (artikel 4 lid 1 sub e Voorwaarden TARGET2-NL). Overheidsinstanties komen bovendien in aanmerking voor toepassing van ‘finaliteit’ zoals geregeld in afdeling 11A van de Faillissementswet. Voorts geldt het verbod van artikel 3:5 lid 1 Wft (‘aantrekking van opvorderbaar geld’) niet voor lidstaten en lagere overheden. (Ons Geld, 2019, Publieke bewaarinstelling; veilige haven en gelijk speelveld voor giraal geld).

Dit zijn technische details die het makkelijker maken om een publieke bewaarinstelling te realiseren. Belangrijkste reden om te kiezen voor een publieke instelling is echter dat de bewaarinstelling een publieke taak vervult. De kern van die taak (uitgifte van persoonlijke veilige rekeningen) behoeft geen marktwerking noch een winstgevende exploitatie. Het gaat hier om een publieke basisadministratie zoals het bevolkingsregister en het kadaster. De ontsluiting van de veilige rekeningen kan bovendien zodanig worden ingericht dat het een gelijk speelveld creëert voor betaaldiensten en de marktwerking en diversiteit in het bankenlandschap stimuleert.

Invoering van de veilige rekening is vitaal voor de versterking van marktwerking in het bankenlandschap. Dat dient echter op beheerste wijze te geschieden, zodat banken zich erop kunnen instellen. Ook dit is een reden om de publieke bewaarinstelling in publieke hand te houden. De persoonlijke veilige rekening kan dan uitgroeien tot het fundament waarop marktpartijen onder gelijke condities nieuwe betaaldiensten en digitale geldvormen kunnen baseren. Dat stimuleert de innovatie zonder systeemrisico en zonder dat de monetaire controle in het geding is.

Belangrijk aspect is bovendien de controle die benodigd is om invoering van marktwerking in het bankenlandschap geleidelijk te laten plaatsvinden, zodat banken zich erop kunnen instellen. Dit laatste rechtvaardigt dat de centrale bank voor de veilige rekening specifiek beleid ontwikkelt. Het gaat daarbij om toepassing van kwantitatieve sturing in plaats van rentesturing. Geld op de veilige rekening is immers in bewaring gegeven. Het is geen vermogensverschaffing die rentevergoeding rechtvaardigt. Ook moet het aanhouden van verantwoorde liquiditeitsbuffers niet met negatieve rente worden ontmoedigd. Daarentegen is het wel gerechtvaardigd om de houder van overtollige liquide middelen te stimuleren dat ‘surplus’ te investeren in de economie, bijvoorbeeld door het aan banken ter beschikking te stellen.

Hebben mensen met meer dan 100.000 euro spaargeld behoefte aan een veilige rekening?

Wie een veelvoud van 100.000 euro bezit kan dit over verschillende banken verspreiden om zijn geldmiddelen zoveel mogelijk onder depositogaranties te brengen. Met de digitalisering wordt het steeds makkelijker om dit te doen. Het is zelfs denkbaar dat zeer grote vermogens door spreiding onder depositogaranties worden gebracht. Met een grotere diversiteit in het bankenlandschap neemt deze mogelijkheid verder toe. Dat is oneigenlijk gebruik van het DGS, waar de belastingbetaler in het uiterste geval voor opdraait.

Voor meer gefortuneerde mensen zijn er ook marktgeoriënteerde alternatieven zoals geldmarktfondsen. Als het hele financiële stelsel instort, zoals in 2008 dreigde te gebeuren, kunnen geldmarktfondsen en andere geldmarktinstrumenten ook ten onder gaan. Bovendien zal dan blijken dat depositogaranties niet kunnen worden waargemaakt zonder de belastingbetaler ervoor op te laten draaien. Bij spreiding van grote vermogens over verschillende banken krijgt de kleine spaarder dan de rekening te betalen van de garanties voor grote vermogens. Dat is een onrechtvaardige situatie, die er voor pleit om depositogaranties te gaan beperken.

De veilige rekening zal vermogende mensen aanvankelijk weinig soelaas bieden. Het is immers wenselijk om het bedrag dat vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden beperkt te houden. Zij zullen aangewezen blijven op de middelen die hen thans ter beschikking staan: spreiding over banken en geldmarktinstrumenten.

Naarmate banken zich op marktwerking hebben kunnen instellen kan het maximale (vrije) bedrag op de veilige rekening worden verhoogd (waarbij de marktwerking verder wordt geïntensiveerd). Dan kan de veilige rekening zich ontwikkelen tot een voorziening waar ook grotere vermogens gebruik van kunnen maken. Dat is een wenselijke verdere ontwikkeling omdat deze bijdraagt aan de stabiliteit van het monetair-financieel systeem en de terugdringing van systeemrisico.

In hoeverre beïnvloedt het depositogarantiestelsel (DGS) de behoefte aan een veilige rekening?

In 2016 hebben stichting Full Reserve en stichting Ons Geld de invloed van depositogaranties in de praktijk onderzocht. Hun bevinding was dat intrinsiek gemotiveerde mensen (uit de Ons Geld achterban) grote belangstelling hadden en zich ook bereid verklaarden om voor hun full reserve rekening te gaan betalen. Voor het grote publiek bleek het echter een brug te ver om voor een relatief kostbare full reserve rekening te kiezen, zolang de overheid ‘gratis’ depositogaranties verzorgt. De full reserve rekening werd onder andere kostbaar vanwege de verplichte (maar ongepaste) deelname aan het DGS.

Het succes van een private depositobank moet ook niet worden gezocht in de consumentenmarkt. Het is eerder een oplossing voor cash managers die er een eenvoudiger en veiliger alternatief mee verkrijgen voor het aanhouden van liquiditeit. Ook hier zal deelname aan het DGS een rol spelen in de afweging van kosten en baten. Het kan zijn dat die kosten in tijden van crises voor lief worden genomen. Ook kan het zijn dat de depositorente die de centrale bank toekent dusdanig hoog is dat dit de kosten (rijkelijk) compenseert. Dat was bijvoorbeeld het geval toen The Narrow Bank in de Verenigde Staten van start wilde gaan, en door de FED werd tegengehouden. Bij een FED-depositorente van 2,4% bood The Narrow Bank een zeer aantrekkelijk alternatief voor grote vermogens: minder risico en meer opbrengst. Het is dan ook goed te begrijpen dat de FED eerst afzonderlijk rentebeleid wilde invoeren voor instellingen zoals de The Narrow Bank.

Ten opzichte van de publieke bewaarinstelling moet het monetaire beleid niet worden gevoerd op basis van rente, maar op basis van kwantiteit. Het veilig aanhouden van geld dat niet in de economie is geïnvesteerd dient ook niet met rente te worden beloond. Het dient echter wel te worden begrensd.

Hoe verhoudt de veilige rekening zich straks tot de bankrekening en andere particuliere ‘stores of value’?

De publiek bewaarinstelling verschaft een veilige bewaarplaats voor giraal geld. Dat is een randvoorwaarde om het monetair-financiële stelsel, via marktwerking, stabieler te maken, en spaarders op de meest (kosten)effectieve manier zekerheid te bieden over hun geld. Dat daarnaast op de markt ook andere meer of minder risicovolle ‘stores of value’ worden geboden waarin mensen hun geld in kunnen beleggen is een gegeven, en moet ook zo blijven. Wat echter anders moet is de noodzaak om dergelijke ‘stores of value’ met overheidsgaranties te schragen. Private stores of value dienen alle in een vrije koersverhouding met de euro te komen staan. Handhaving van pariteit tussen private stores of value en de euro door de centrale bank moet dan ook worden afgebouwd. Het gaat hier om een duidelijke scheiding van publieke en private belangen. Behartiging van het publieke belang wordt daarbij op de meest kosteneffectieve en risicoloze manier vormgegeven, via de veilige rekening. Tegelijkertijd wordt overheidsinmenging in private belangen gereduceerd.

Is het niet beter om het plafond van het depositogarantiestelsel (DGS) te verhogen, dan een veilige rekening in te voeren?

Nee. Verhoging van het DGS-garantieplafond is een verdere ondermijning van de marktwerking ten aanzien van de financiering van banken, en daarmee verdere ondermijning van de stabiliteit van het monetair-financieel systeem. Dat is tegengesteld aan hetgeen met de veilige rekening wordt beoogd: versterking van marktwerking, vergroting van de diversiteit in het bankenlandschap en vergroting van de stabiliteit van het monetair-financieel systeem.

Verhoging van het DGS-garantieplafond is vooral voordelig voor zeer vermogende personen die ermee door spreiding over banken een aanmerkelijk groter deel van hun vermogen onder depositogaranties kunnen brengen. Het ultieme risico daarvan daalt echter neer bij alle belastingbetalers, ook degenen die geen enkel voordeel van verhoging van het garantiebedrag zouden hebben.

Verhoging van het DGS-garantieplafond vergroot ook de onbalans binnen de eurozone. Gezonde banken zullen extra risico van zwakke banken moeten dragen, en de belastingbetalers van sterkere lidstaten, draaien extra op voor verliezen in zwakkere Lidstaten. Invoering van nationale publieke bewaarinstellingen in alle Lidstaten zal daarentegen juist stabiliserend werken en onbalans tussen Lidstaten reduceren.

De veilige rekening is de rechtvaardige, marktgeoriënteerde, stabiliserende en (kosten)effectieve manier waarop rekeninghouders zekerheid kan worden geboden. De mate waarop ervan gebruik kan worden gemaakt kan door de overheid nauwkeurig worden beheerst. De kosten ervan bedragen niet meer dan de kosten van de publieke bewaarinstelling zelf. In een garantiestelsel gebaseerd op veilige rekeningen komt de belastingbetaler niet voor verrassingen te staan als drager van risico’s waarvan hij geen weet heeft, en waarvoor hij niet gekozen heeft.

Verhoging van het DGS-garantieplafond en verhoging van de (vrije) limiet op de veilige rekening zijn elkaars tegengestelden, waarbij het eerste de stabiliteit van het monetair-financieel stelsel verder ondermijnt terwijl het tweede die stabiliteit -zoals de WRR heeft bevestigd- kan vergroten.

Is geld op de veilige rekening beter beschermd dan geld dat onder het depositogarantiestelsel (DGS) valt?

Ja. Dekking via depositogaranties is te vergelijken met een verzekering, waarbij het garantievermogen onvoldoende kan blijken te zijn. In dat geval ontvangen de rekeninghouders niet de vergoeding die ze hadden verwacht, of ze ontvangen een vergoeding die ze als belastingbetaler zelf moeten opbrengen; een sigaar uit eigen doos. In het geval van de veilige rekening is het tegoed inherent veiliggesteld. Die veiligheid berust niet op enig garantievermogen dat ontoereikend kan blijken te zijn. Deze veiligheid berust ook niet op enig beroep dat op de belastingbetaler zou worden gedaan. De veiligheid berust erop dat het geld op de veilige rekening geheel is gedekt door centrale bank geld, en bijvoorbeeld ook geheel in contanten kan worden opgenomen, ongeacht de vermogenspositie van de centrale bank.

Heeft de veilige rekening geen procyclische werking?

Zoals de WRR ook aangeeft zal de veilige rekening de banken dwingen zich op andere -meer verantwoorde- wijze te financieren, “met meer eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen met een lange looptijd” (WRR, 2019, Geld en schuld, p. 237). Daardoor worden ze minder afhankelijk van direct opeisbare tegoeden. Dat heeft een dempend effect op de kredietcyclus. De schommelingen zullen minder groot worden.

Spaarders worden op hun beurt meer risicobewust, en alert op de voor- en nadelen van geld beschikbaar stellen aan een bank, zeker wanneer de opvraagbaarheid ervan minder flexibel gaat worden dan men thans gewend is. Het aanhouden van liquiditeit en het financieren van banken worden allengs verschillende zaken, waarbij het eerste rente- en risicoloos is, en het tweede wordt beloond overeenkomstig de looptijd en het risico dat ermee wordt genomen.

De financiële markten kampen thans, getuige de negatieve rente, met een overschot aan liquiditeit. Dit is dan ook het juiste moment om de veilige rekening in te voeren. Het is het geëigende middel om de verstoorde financiële markten weer naar behoren te laten functioneren. Naarmate de spaarders enige marktmacht verkrijgen jegens de banken kan de spaarrente de resultante worden van een gezonde balans tussen vraag en aanbod, en bovendien het risico gaan reflecteren van vermogensverschaffing aan desbetreffende bank. Daarbij past dat banken geleidelijk uit de positie worden gehaald waarin zij financiering van het publiek opnemen ongeacht hun financieringsbehoefte. ‘Verantwoorder financieren’ betekent ook dat banken meer controle krijgen over de instroom van geld. Ook dat is een gevolg van de veilige rekening.

Wordt de kans op een bankrun niet groter door invoering van de veilige rekening?

Ook zonder veilige rekening kunnen rekeninghouders wegvluchten bij hun bank. Daarin brengt de veilige rekening geen verandering. De situatie is wel anders wanneer het gehele stelsel op instorten staat en alleen de veilige rekening nog betrouwbaar is. Het publieke belang van de veilige rekening is dan des te groter.

Door beperking van het bedrag dat vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden is de potentiële omvang van een run naar de veilige rekening te beperken. Met allerlei noodinstrumenten is dit risico verder te mitigeren, zoals middels een tijdelijke stop op uitgifte van veilige rekeningen en een tijdelijke stop of beperking op overmaking naar de veilige rekening in crisissituaties.

Waarom kunnen private banken door invoering van een veilige rekening beter functioneren?

Invoering van de veilige rekening is de start van een proces waarin banken geleidelijk aan marktdiscipline worden blootgesteld. Ook de spaarrente zal geleidelijk de resultante worden van onverstoorde marktprocessen. Banken gaan zich daarbij anders financieren; minder met opvraagbare tegoeden en beter afgestemd op hun daadwerkelijke financieringsbehoefte. Allengs zullen ze ook geen financiering meer van hun rekeninghouders opnemen die ze niet nodig hebben. De veilige rekening neemt de liquiditeitsfunctie over, terwijl het financieren van banken een bewustere keuze wordt waarvoor passende rente wordt geboden.

Naarmate financiering van banken een bewuste keuze wordt, onder bewuste aanvaarding van risico tegen passende rente, kan de overheid haar intensieve inmenging met het bankwezen afbouwen. Daarbij speelt een rol dat ze voortdurend zicht heeft op de liquiditeitsbuffers die op de veilige rekeningen worden aangehouden, en daarmee zicht heeft op de weerbaarheid van de samenleving tegen financiële crises. Die weerbaarheid kan ze verder versterken door te sturen op de liquiditeitsbuffers op de veilige rekeningen. De stabiliteit van het monetaire stelsel wordt dan minder afhankelijk van de banken, waardoor de overheid minder genoodzaakt zal zijn om banken te beschermen. Zij kan deze geleidelijk ‘loslaten’ en verstikkende regels afbouwen.

Zijn grote banken na invoering van de veilige rekening nog too-big-to-fail?

Invoering van de veilige rekening is de eerste stap in een proces, waarbij de liquiditeitsfunctie en de financieringsfunctie geleidelijk kunnen worden gescheiden. Of dat proces ook slaagt hangt af van vele factoren, waaronder de acceptatie van de veilige rekening door de Nederlanders. Uiteraard wordt die acceptatie beïnvloed door flankerend beleid dat het risicobesef van de Nederlanders aanwakkert, en de veilige rekening tot de standaard bewaarplaats maakt voor geld. De afname van too-big-to-fail en verwevenheidsproblematiek zal geleidelijk gaan. Onder andere om banken gelegenheid te geven zich uit eigen beweging en naar eigen inzicht aan toenemende marktwerking aan te passen.

Wanneer is de situatie bereikt dat banken niet meer gered hoeven te worden? Hoe ziet die situatie eruit?

In die situatie -wat een eindsituatie is van een jarenlang proces- is het financieren van banken gescheiden van het aanhouden van liquiditeit in de vorm van eurotegoeden. Bancaire geldtegoeden hebben dan een vrije wisselkoers met de euro. De drempel om een bank te starten is dan sterk verlaagd, daar banken zich dan op gelijke wijze financieren als niet-banken. Daarmee vervalt het verschil tussen ‘bankentoezicht’ en toezicht door de Autoriteit Financiële Markten (AFM), wat gepaard gaat met een sterke reductie van de complexiteit van het financiële recht.

Indien banken financiering aantrekken van het publiek zullen zij dat doen door middel van effectenuitgifte. Voor niet-banken wordt het eenvoudiger om vreemd vermogen te verschaffen, daar afscherming van de banken tegen concurrentie door niet-banken overbodig wordt. De concurrentie in de kredietverlening neemt dan toe, en is niet meer verstoord door de aparte status van de banken. Ook de invloed van de uiteindelijke vermogensverschaffer neemt toe, daar vermogensverschaffing een bewuste keuze wordt die, zoals bij effectenuitgifte, omlijst is met nauwkeurige informatievoorziening over de risico’s die aan de vermogensverschaffing verbonden zijn.

Dominante marktmacht van de banken is dan vervangen door marktwerking, op een gelijk speelveld voor banken en niet-banken. De kredietverlening wordt dan niet beheerst door banken maar door marktprocessen voor het beoordelen, inprijzen en aanvaarden van risico. Hiervan zal een mitigerend effect uitgaan op het algemene risiconiveau in het financiële stelsel. De inspanning van de overheid zal daarbij zijn gericht op facilitering van die marktprocessen via normstelling voor risicotransparantie en beleggersbescherming. Het opvangen van financiële risico’s van financiële instellingen en hun financiers is dan geen overheidsaangelegenheid meer.

Is de manier waarop de publieke bewaarinstelling garant staat voor spaargeld compatibel met de mededingingsregels van de EU?

De publieke bewaarinstelling staat niet garant voor de tegoeden. Dat is niet nodig daar die tegoeden niet afhankelijk zijn van onderliggende waarde die kan fluctueren en verloren kan gaan. De tegoeden zijn 1 op 1 gedekt door centrale bank geld. Daarmee representeren ze feitelijk de euro. Pariteit (1 op 1 inwisselbaarheid) met de euro is inherent en hoeft derhalve niet op kunstmatige wijze, bijvoorbeeld via garantstelling te worden geborgd.

Kan de veilige rekening de banken helpen om vertrouwen terug te winnen?

De laatste jaren stonden de banken veelvuldig negatief in de belangstelling. De bankencrisis, de bonussen, de topsalarissen, belastingontwijking, witwassen… Omdat ze nu een onmisbare nutsfunctie vervullen lijken ze overal mee weg te komen. Verschillen tussen banken worden bovendien uitgevlakt, mede door de verstikkende overheidsregels en depositogaranties. Banken die het goede voorbeeld willen geven worden peperduur, onder andere omdat ze mede de last moeten dragen van onverantwoorde risico’s die door andere banken zijn aangegaan.

Door introductie van de veilige rekening wordt vermogensverschaffing aan banken een bewuste keuze voor de Nederlanders. Banken zullen daarop moeten inspelen door zich aantrekkelijker te maken als investering voor de Nederlanders. Daarbij wordt het belangrijker voor hen om zich positief te onderscheiden. Negatieve berichtgeving over hun doen en laten kan directe gevolgen hebben voor de voorkeuren van de Nederlanders. Naarmate depositogaranties vervolgens worden afgebouwd kan deze disciplinering verder neerslaan in het DNA van de banken. Ook worden hun onderlinge verschillen dan minder uitgevlakt naarmate ze elkaars risico niet meer hoeven te dragen.

Staan er geen (Europese) juridische belemmeringen in de weg aan de publieke bewaarinstelling?

De specifieke juridische belemmeringen die eerdere initiatieven deden stranden staan, zover wij overzien, de publieke bewaarinstelling niet in de weg. Zie voor een overzicht van die eerdere initiatieven het ‘memo full reserve’.

De belemmering die in de weg stond aan het voornemen van voormalig minister De Jager om betaalinstellingen toegang te geven tot TARGET2 doet zich bij de publieke variant niet voor. Overheidsinstanties komen namelijk in aanmerking voor toepassing van “finaliteit”, zoals geregeld in afdeling 11A van de Faillissementswet. Bovendien voorzien de voorwaarden voor TARGET2 dat overheidsinstellingen die gemachtigd zijn om voor klanten rekeningen aan te houden in aanmerking komen voor toegang tot dit interbancaire betaalsysteem (artikel 4 lid 1 sub e Voorwaarden TARGET2-NL). Voorts geldt het verbod van artikel 3:5 lid 1 Wft (“aantrekking van opvorderbaar geld”) niet voor lidstaten en lagere overheden. (Ons Geld, 2019, Publieke bewaarinstelling; veilige haven en gelijk speelveld voor giraal geld).

Dit betekent overigens niet dat Nederland de veilige rekening geheel autonoom kan invoeren. Afstemming met de monetaire autoriteiten is hoe dan ook geboden. De publieke bewaarinstelling behoort onder toezicht te staan van DNB. Beperking van het tegoed dat per persoon vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden behoort in overleg met de toezichthouder(s) tot stand te komen.

Is de veilige rekening een mogelijk antwoord op de huidige realiteit van (nakende) negatieve rente?

De veilige rekening is het marktgeoriënteerde antwoord op negatieve rente. Wanneer spaarders een rentevrije bewaarplaats hebben voor giraal geld wordt het onwaarschijnlijk dat ze negatieve rente van hun bank zullen accepteren. De veilige rekening verbetert de onderhandelingspositie van spaarders ten opzichte van de banken. Daarmee is het niet alleen een remedie tegen negatieve rente. Het is ook een middel om rente aan onverstoorde marktprocessen te gaan onderwerpen. Introductie van marktwerking moet echter geleidelijk gebeuren. Belangrijkste instrument om die introductie beheerst te laten plaatsvinden is de begrenzing van het bedrag dat vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden. Zolang dat bedrag laag is, is de intensiteit waarmee banken aan marktdiscipline worden blootgesteld ook laag. Indien er sprake is van negatieve rente is dat een reden om het bedrag op te voeren. Negatieve rente is immers een teken van een financieringsoverschot bij de banken. Dat laat ruimte om financiering bij de banken weg te nemen door meer geld naar de veilige rekening te laten vloeien. Op die wijze verbeteren de marktcondities ten aanzien van de spaarrente en bouwen de Nederlanders hun rentevrije liquiditeitsreserves op hun veilige rekeningen verder op.

Opvoering van de marktwerking gaat gepaard met geleidelijke afbouw van depositogaranties en opvoering van de informatievoorziening aan rekeninghouders over het risico dat ze nemen door vermogen te verschaffen aan desbetreffende bank.

Hoe zijn de kosten van de publieke bewaarinstelling te rechtvaardigen?

De veilige rekening dient diverse publieke functies, waaronder met name:

  1. bescherming van de liquiditeitsbuffers (spaargeld) op de meest kosteneffectieve wijze;
  2. veiligstelling van het betalingsverkeer;
  3. stimulering van marktwerking en diversiteit in het bankenlandschap;
  4. het bieden van gelijk speelveld voor betaaldiensten; en
  5. stimulering van de innovatie in fintech en digitale geldvormen met uitsluiting van (extra) systeemrisico.

De veilige rekening vormt het fundament in de stabilisering van het monetair-financieel stelsel op een marktgeoriënteerde wijze. Zoals de WRR stelt dwingt het banken om zich “verantwoorder te financieren, met meer eigen vermogen (kapitaal) en vreemd vermogen met een lange looptijd. De creatie van geld en schuld door commerciële banken wordt op die manier ook beter begrensd.” (WRR, 2019, Geld en schuld, p. 237)

De veilige rekening vormt de hoeksteen van een marktgeoriënteerde ordening van het financiële stelsel. De publieke bewaarinstelling zal daarbij uitgroeien tot een basis-administratie vergelijkbaar met het bevolkingsregister en het kadaster. Het is dan ook gerechtvaardigd dat de publieke bewaarinstelling vanuit de algemene middelen wordt bekostigd. Ontsluiting van de veilige rekeningen (de eigenlijke betaaldienstverlening) kan daarbij aan marktpartijen worden overgelaten (banken en betaalinstellingen). Aanvullend kan de publieke bewaarinstelling zelf ook elementaire betaaldiensten verlenen, om te borgen dat alle Nederlanders toegang hebben tot het digitale betalingsverkeer.

Tegenover de kosten komen ook baten te staan. Deze zullen op termijn de kosten verre overtreffen. De veilige rekening biedt dus belangrijke maatschappelijke voordelen tegen – op termijn – extra inkomsten voor het Rijk.

De baten van de publieke bewaarinstelling hangen samen met de belasting die wordt geheven over ‘excessieve’ tegoeden die door vermogende personen op de veilige rekening worden aangehouden. Meer daarover leest u in ‘Nieuwe instrumenten voor monetair beleid’.

Is er een schatting te maken van de kosten van de publieke bewaarinstelling?

Deze kosten laten zich afleiden uit de kosten die de banken thans maken om het betalingsverkeer te verzorgen, met dien verstande dat de kosten van het DGS niet meetellen, en dat de ICT rondom de veilige rekening in een publiek-private samenwerking kan worden gegoten. In die samenwerking kunnen de ken-uw-klant processen en de signalering van verdachte transacties worden gestroomlijnd.

Tegenover de kosten staan ook kostenbesparingen. Deze vallen deels bij de banken indien daadwerkelijk wordt gekozen voor een publiek-private samenwerking, waarin de ICT en uitvoeringsprocessen rond het betalingsverkeer worden gestroomlijnd. Besparingen zijn er ook voor de overheid en de belastingbetaler naarmate de veilige rekening ingeburgerd raakt. Dit is namelijk de veruit goedkoopste en efficiëntste manier om zowel het spaargeld als het betalingsverkeer zeker te stellen. De kosten daarvan zijn vooraf bekend. In tijden van crises zijn er geen extra kosten of garanties die geboden moeten worden om het betalingsverkeer op basis van de veilige rekeningen in de lucht te houden.

De veilige rekening wordt de hoeksteen voor geleidelijke opvoering van marktwerking in het financiële stelsel waarmee de gehele economie is gebaat: betere risicospreiding, bewustere risico-aanvaarding en rentevergoedingen op basis van onverstoorde marktprocessen.

De aanvangskosten kunnen relatief laag zijn, daar de publieke bewaarinstelling geleidelijk wordt opgebouwd. De startup kan bovendien worden belegd bij de Volksbank die reeds over de relevante expertise beschikt. Daardoor kan effectief en efficiënt worden gewerkt. Een budget van 10 miljoen euro per jaar lijkt ons voor de eerste paar jaren ruim voldoende. Tegen de tijd dat de veilige rekening de standaard is geworden in het betalingsverkeer zullen de kosten hoger zijn. Wij schatten deze op 1 miljard euro per jaar. Afgezet tegen de maatschappelijke baten ervan is dat een zeer verstandige en verantwoorde investering. Met die investering wordt voorkomen dat de belastingbetaler ooit nog heeft op te draaien voor failliete banken en andere verliezen op financiële markten. Bovendien brengt het meer marktwerking, stabiliteit en diversiteit in het bankenlandschap.

Wat zijn de kosten ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)?

Ten aanzien van de identificatie van personen zal de publieke bewaarinstelling efficiënt kunnen handelen, bijvoorbeeld door voor dat doel koppeling met publieke basis-administraties mogelijk te maken.

Zolang het bedrag dat vrijelijk op de veilige rekening kan worden aangehouden laag is, is de impact van het signaleren van verdachte transacties voor de publieke bewaarinstelling gering. Pas later, naarmate de veilige rekening uitgroeit tot de standaard in het betalingsverkeer zal het belang hiervan toenemen. Daarbij is het voorstel van Triodosbank ‘bankgirocentrale 2.0’ relevant. Triodosbank stelt voor om de betaalinfrastructuur in een publiek-private samenwerking gezamenlijk op te pakken. Op deze wijze ziet Triodosbank kans voor efficiencyverbetering en kostenbesparing, met name op het vlak van ken-uw-klant processen en signalering van verdachte transacties. Dat is een interessante gedachte die goed past bij de veilige rekening, die weliswaar bij de overheid wordt aangehouden, maar kan worden ontsloten door een betaaldienstverlener naar keuze.

In hoeverre kan de publieke bewaarinstelling kostendekkend opereren?

Tegoeden op de veilige rekening die uitgaan boven het bedrag dat vrijelijk kan worden aangehouden worden progressief belast (Ons Geld, 2019, Nieuwe instrumenten voor monetair beleid). Dit levert een nieuwe bron van inkomsten waaruit de publieke bewaarinstelling (deels) bekostigd kan worden. Dit is te zien als een – door de monetaire autoriteiten – te bepalen en flexibel aan te passen prijs van het veilig bewaren van giraal geld. Deze prijs wordt allen in rekening gebracht met betrekking tot bedragen die het vrijelijk aan te houden tegoed te boven gaan. Betreffende tarieven worden niet bepaald op basis van budgettaire behoefte van de publieke bewaarinstelling noch van het Rijk. Deze tarieven worden ingegeven vanuit de monetaire sturing die door de monetaire autoriteiten wordt gegeven. Deze tarifering valt onder het monetair beleid.

De publieke bewaarinstelling zal vanwege deze inkomsten op termijn niet alleen kostendekkend zijn, maar zelfs lucratief voor het Rijk. Dit mag echter niet het motief zijn van deze instelling, en ook geen enkele rol spelen bij bepaling van de tarieven waarmee excessieve tegoeden op de veilige rekening worden belast. Dit wordt een zelfstandige bevoegdheid van de monetaire autoriteit.

De veilige rekening gaat deel uitmaken van de diensten van banken en andere betaaldienstverleners. Deze rekening wordt daartoe opgenomen in hun betaalomgeving. De rekeninghouder bepaalt wie toegang heeft tot zijn betaalgegevens, en wie hem welke betaaldiensten zal verlenen. Het is aan de marktpartijen om te bepalen op welke wijze ze hun dienstverlening bekostigen. De kosten van het gezamenlijke platform vallen dan in de publiek-private samenwerking, waarover nadere afspraken zijn te maken.

Klopt het dat het faciliteren van digitale betalingen voor banken een verlieslijdende post is die wordt opgevangen door andere, meer risicovolle activiteiten?

Afgaand op de berichtgeving hierover in de media nemen wij aan dat de kosten van het betalingsverkeer door banken in zekere mate worden gedekt uit overige activiteiten. Wij zien dat: de kosten rond bankrekeningen behoren tot de financieringskosten van de banken. Kennelijk zijn deze kosten lager dan wanneer banken zich niet zouden financieren met tegoeden, maar louter door uitgifte van effecten. Dat geldt naar wij verwachten echter niet voor kleine banken, die veelal ook aanmerkelijk hogere kosten aan hun klanten in rekening brengen voor betaaldiensten. Dat zegt iets over de toetredingsdrempel voor nieuwkomers, en daarmee over het gebrek aan concurrentie in het bankenlandschap.

Wat zijn de kosten van borging van de veiligheid van de digitale betalingen?

Dit is een breder onderwerp dan de publieke bewaarinstelling alleen. De digitale veiligheid van het betalingsverkeer is van publiek belang, en toenemend onderwerp van zorg. Te verwachten is dat de kosten ervan in de toekomst voor alle betaaldienstverleners zullen toenemen, met verdere verhoging van toetredingsdrempels en consolidatie in het betaalwezen tot gevolg. Wij zien hierin een grond voor de overheid om een publiek-private samenwerking rond ontsluiting van de veilige rekening aan te gaan. Daarmee kunnen de investeringen in digitale veiligheid worden gebundeld. Tegelijkertijd kan de drempel voor toetreding worden verlaagd. De overheid zal hier haar verantwoordelijkheid moeten nemen, en een bijdrage moeten leveren.

Tegelijkertijd menen wij dat de overheid moet borgen dat contant geld niet in ongebruik raakt. Deugdelijke marktwerking in de bankensector is daarvoor essentieel. Gebrek aan marktwerking mondt uit in negatieve rentes wat de monetaire autoriteiten ertoe kan bewegen om contant geld uit te rangeren. Daarmee zou de weerbaarheid bij cyberaanvallen en stroomuitval ernstig worden ondermijnd. Door invoering van de veilige rekening en door geleidelijke opvoering van marktwerking in het bankwezen kan dat worden voorkomen. Negatieve rentes worden dan uitgebannen in plaats van contant geld.

Krijgt elke Nederlander straks kosteloos een digitale portemonnee?

Ontsluiting van de veilige rekeningen wordt primair aan ‘de markt’ (betaaldienstverleners) overgelaten. Markpartijen zullen daarbij zelf hun tarifering bepalen. De publieke bewaarinstelling biedt evenwel ook kosteloze elementaire betaaldiensten, om zeker te stellen dat elke Nederlander toegang heeft tot het betalingsverkeer, en om te borgen dat het betalingsverkeer niet hapert indien betaaldienstverleners onderuitgaan.

Is het rechtvaardig om een extra stallingsoptie te bieden aan mensen die al zeer vermogend zijn (i.e. met een spaarvermogen hoger dan 100.000 euro) terwijl dit de belastingbetaler geld gaat kosten?

Deze ‘extra stallingsoptie’ is voor de belastingbetaler geen extra last, maar een methode om het spaargeld op de meest (kosten)effectieve en risicoloze manier veilig te stellen. De veiligheid voor meer en minder gefortuneerde mensen wordt daarbij gelijkgetrokken. Afbouw van het depositogarantiestelsel zorgt bovendien dat de kleine belastingbetaler straks niet meer deelt in de kosten van depositogaranties voor vermogende personen.

Worden er kosten in rekening gebracht voor de veilige rekening?

Nee, in principe niet. De veilige rekening vervult een vitale maatschappelijke functie. Deze functie wordt het best vervult als alle Nederlanders er frictieloos gebruik van kunnen maken.

Wel worden excessieve tegoeden op de veilige rekening die uitgaan boven het bedrag dat vrijelijk kan worden aangehouden progressief belast. Deze belasting maakt het geldstelsel beter beheersbaar, en dekt de kosten van de publieke bewaarinstelling. Op termijn zal het hier gaan om een substantiële inkomstenbron voor de schatkist. De tariferingen wordt echter niet ingegeven vanuit budgettaire overwegingen van de publieke bewaarinstelling noch van het Rijk. Deze tariferingen behoort tot het monetair beleid.

Edgar Wortmann, 20 januari 2020

Download als pdf


1) Ons Geld, 2019, Oorzaak en oplossing van de aanhoudend lage rente.

2) Dat dit nog steeds de grondslag is voor depositogaranties blijkt uit het feit dat deze niet per persoon, maar per bank gelden. Vermogende personen kunnen meer garanties verzamelen door vermogen te spreiden over verschillende banken.