Ons geldsysteem is niet ideaal. Het is instabiel en vergroot verschillen tussen arm en rijk. Banken beheersen en exploiteren de geldsomloop voor eigen gewin. Ze maken en vernietigen geld. Zij bepalen wie geld in handen krijgt en waarvoor. In dit proces ontstaan prijsbubbels die telkens weer barsten. Geld is schaars en duur voor wie het echt nodig heeft. Voor rijken is geld goedkoop en onbegrensd beschikbaar.

Banken maken geld in de vorm van krediet. Dit geld vertegenwoordigt een schuld. Die moet worden terugbetaald waarna dat geld weer verdwijnt. Daarboven moet ook nog rente worden betaald. Dit leidt tot een economie van uitholling en exploitatie. Met (geleend) geld moet meer geld worden gemaakt. Voor aandacht, evenwicht en kwaliteit biedt dit geen ruimte. Die is er alleen voor wie zich dat veroorloven kan. Voor de rest is er haast, verspilling en vervuiling; een wereld uit balans; een verstoorde biosfeer.

Het geldsysteem als nutsvoorziening

Internationaal groeit kritiek op dit private geldsysteem. Dit uit zich in de roep om monetaire hervorming. Monetaire hervormers zien de geldsomloop als nutsvoorziening. Ze willen dat deze transparant en verantwoord wordt beheerd en dienstbaar wordt aan het algemeen welzijn. De geldsomloop hoort niet in handen van politici die uit zijn op stemmenwinst. Net zo min hoort het in handen van bankiers die het exploiteren voor eigen gewin. Geld is het primaire machtsmiddel in de samenleving. Het behoort tot de constitutie van die samenleving. Als zodanig dient het te worden bewaakt en geregeld. Dat is het uitgangspunt voor monetaire hervorming.

“Geld is het primaire machtsmiddel in de samenleving. Het behoort tot de constitutie van die samenleving.”

Monetaire hervorming is minder moeilijk dan het misschien lijkt. Veel kan bij het oude blijven. Wat verandert is de aard van het geld en hoe de geldsomloop wordt beheerd. Beide worden helder gedefinieerd en wettelijk geregeld. De maatschappelijke bate daarvan is uiterst positief. Een beschrijving van de transitie mag dat illustreren.

Vervanging van bankgeld

Eerste stap is de vervanging van het bestaande girale geld (bankgeld) door ‘echt geld’ (volgeld). Volgeld wordt door de staat gecreëerd. Het verschilt wezenlijk van bankgeld. Bankgeld is eigenlijk geen geld. Het is een vordering op de bank. Geld op jouw bankrekening is niet van jou. Het is van de bank. Als die bank failliet gaat verlies je het. Bij volgeld verandert dat. Het wordt jouw ** eigendomannotatieVoor de duidelijkheid wordt hier het woord eigendom gebruikt. Naar huidig Nederlands recht is dat niet helemaal juist daar eigendom binnen het vermogensrecht uitsluitend op stoffelijke objecten betrekking kan hebben. Dat is een erfenis van het antieke Rome. Giraal geld is geen stoffelijk object. Bedoeld wordt dat giraal geld juridisch op vergelijkbare wijze behandeld gaat worden als eigendom. Dat betekent onder andere dat de ‘eigenaar’ van het volgeld niet alleen een vordering heeft op de bank waar het op rekening staat. De ‘eigenaar’ kan zijn recht tegen iedereen geldend maken. Ook tegen de curator en andere schuldeisers van de bank. Hij heeft een absoluut recht. Bankgeld geeft hem daarentegen een relatief recht. . Het blijft bestaan. Ook als het op een bankrekening staat en ook als die bank failliet gaat.

Volgeld is zuiver geld. Het is betaalmiddel zonder tegelijk ook schuld te zijn. Het hoeft niet te worden terugbetaald aan de instelling die het creëerde. Het is onafhankelijk van de kredietwaardigheid en liquiditeit van de bank. Het gaat niet verloren door afbetaling van bankleningen.

“Bankgeld is eigenlijk geen geld”

‘Full reserve banking’

Invoering van volgeld gaat gepaard met afschaffing van geldschepping en geldvernietiging door banken. Dit wordt wel aangeduid met ‘100%’ of ‘full reserve banking’. Daarmee wordt bedoeld dat al het geld op bankrekeningen gaat samenvallen met ‘echt geld’ (volgeld). De staat moet daarin voorzien. Dat wordt haar monetaire verantwoordelijkheid. De staat bepaalt dan hoeveel geld er in omloop moet zijn en gaat die geldhoeveelheid direct besturen. Al het wettig betaalmiddel stamt dan van de staat. Banken werken dan niet meer met zelf gemaakt geld (bankgeld) maar louter met het geld dat de staat daartoe beschikbaar stelt (volgeld).

‘Full reserve’ (volledige reserve) is het tegenovergestelde van ‘fractional reserve’ (fractionele reserve); een term waarmee banken hun huidige bedrijf typeren. De fractionele reserve is de hoeveelheid betaalmiddel die banken aanhouden om aan hun verplichtingen te voldoen. Dat is een fractie van het uitstaande bankgeld.

Na de hervorming verliezen de begrippen fractionele en volledige reserve hun betekenis. Giraal geld is dan geen schuld meer van de bank. Banken houden dan ook geen (fractionele) reserves meer aan om die schuld te kunnen voldoen. Geld op de bankrekening is echt geld (volgeld) geworden. Het is reserve in zichzelf. De bank krijgt het niet meer in gebruik maar heeft het in bewaring.

Bankbedrijf en geldcreatie zijn dan gesplitst. Het aantrekken en uitzetten van gelden blijft de commerciële activiteit van banken. Creatie van geld en beheer van de totale geldsomloop wordt een taak van de staat. Banken zijn dan geen geldscheppende instellingen meer.

“Na de hervorming verliezen de begrippen ‘fractionele -’ en ‘volledige reserve’ hun betekenis. Het is reserve in zichzelf.”

Transitie in één nacht

De eigenlijke transitie wordt in één nacht voltrokken. Dit door de (boekhoud)regels aan te passen. Vanaf dan is de totale girale geldsomloop niet meer het bezit van banken. Het wordt beheerd door de staat. Vóór de transitie stond het geld van rekeninghouders op de balans van de bank. De bank kon ermee doen wat hij wilde en dat voor eigen gewin. Door de transitie komt de totale geldhoeveelheid op conto van de staat. Zo wordt het bestaande girale bankgeld gesaneerd. In de plaats komt giraal volgeld; gecreëerd door de staat. Het geldbeheer wordt constitutioneel geregeld. Stabiliteit van de munt (de algemene waarde-eenheid) staat daarbij voorop. De geldsomloop wordt dienstbaar aan het algemeen welzijn.

Boekhoudkundig gaan banken er door de overgang niet op voor- of achteruit. De vorderingen van hun rekeninghouders worden vervangen door een vordering van de staat. Het geld van de rekeninghouders staat niet meer op de bankbalans. Het is geen vordering meer van de rekeninghouder op de bank. Het is eigendom van de rekeninghouder dat aan de bank in bewaring is gegeven. Deze situatie stemt overeen met hoe velen denken dat banken nu al functioneren; de transitie realiseert een situatie die algemeen al wordt verondersteld.

Voor de rekeninghouder is de overgang positief. Zijn banksaldo is echt geld geworden. Het staat niet meer bloot aan risico’s zoals het faillissement van de bank. Voor de staat is de overgang uiterst positief. Ze heeft alsnog haar soevereine recht op de bestaande girale geldhoeveelheid opgeëist. De bate hiervan kan ze in één keer bijschrijven. Dit in de vorm van een vordering op de banken ter grote van die girale geldhoeveelheid.

“De transitie realiseert een situatie die algemeen al wordt verondersteld.”

Eigen vermogen

In die ene transitienacht is de schatkist van de staat enorm gegroeid. De hele geldsomloop is haar ‘eigen vermogen’ geworden. Op deze wijze wordt het bestaande girale geld gelegitimeerd. Het is niet langer het bezit van banken. Alle burgers zijn er middellijk toe gerechtigd, via en georganiseerd door de staat. Het is het collectieve maatschappelijke vermogen van alle burgers samen. Ook het geld dat na de transitie wordt gecreëerd wordt toegevoegd aan dit maatschappelijke vermogen.

De staat is daarbij te zien als de vennootschap van alle burgers. Die vennootschap gebruikt haar vermogen om haar maatschappelijke doel te bereiken. De burger is te zien als aandeelhouder van de staat. Als zodanig heeft iedere burger aanspraak op het eigen vermogen van de staat, voor zover de staat dit zelf niet nodig heeft om haar doel te bereiken.

De transitie is een erkenning van de bron waar geld haar waarde aan ontleent. Dat is niet de activiteit of kredietwaardigheid van banken. Geld ontleent haar waarde aan het waarde-creërend vermogen van (samen-)werkende mensen; de burgers. De omvang van de totale geldsomloop wordt niet naar willekeur bepaald. Zij is hard gebonden aan de stabiliteit van de munt.

“De staat is daarbij te zien als de vennootschap van alle burgers. Die vennootschap gebruikt haar vermogen om haar maatschappelijke doel te bereiken. De burger is te zien als aandeelhouder van de staat. Als zodanig heeft iedere burger aanspraak op het eigen vermogen van de staat, voor zover de staat dit zelf niet nodig heeft om haar doel te bereiken. ”

Nationale schuldsanering

Het door de transitie nieuw verworven eigen vermogen heeft de staat eigenlijk niet nodig. Een deel kan ze wegstrepen tegen de staatsschuld. Die is daarmee gesaneerd. De staat hoeft geen rente meer te betalen. Belastingheffing ter dekking van die rente kan ook vervallen. De belastingdruk vermindert.

Dan nog heeft de staat veel overtollig geld op de balans. Reden voor uitkering van ‘burger-dividend’. Alle burgers maken aanspraak op een gelijk deel. Burgers zijn uitsluitend natuurlijke personen. Rechtspersonen maken geen aanspraak op burger-dividend. De dividenduitkering heeft een specifiek doel: sanering van particuliere schulden. Alle burgers zijn verplicht er eerst hun schulden mee af te betalen. Voor zover ze dan nog wat overhouden mogen ze het naar believen sparen, beleggen, investeren of besteden.

Zo krijgt de transitie een dubbelfunctie.

  • Het beheer van de geldsomloop wordt onttrokken aan de commerciële exploitatie van banken. Het wordt gebracht onder maatschappelijk beheer door de staat.
  • Tegelijkertijd worden staat en maatschappij bevrijd van een groot deel van de bestaande schuldenlast. Er ontstaat meer ruimte voor levensbehoeften, investeringen en kwaliteit.

“Na het afstrepen van de staatsschuld heeft de staat veel overtollig geld op de balans. Reden voor uitkering van ‘burger-dividend’.”

Rente

Een derde aspect van de transitie betreft de rente. Banken belasten de girale geldsomloop (het bankgeld) nu met rente. Zo onttrekken ze betaalkracht aan de samenleving. Zonder volgeld is het de maatschappij onmogelijk haar bankschulden ooit af te betalen. In het huidige monetair bestel zijn banken eeuwig schuldeiser en is de maatschappij eeuwig schuldenaar.

Voortdurend vindt er vermogensoverdracht plaats van de maatschappij naar de banken. Dit is niet gebaseerd op reële waarde toevoeging door die banken. Het volgt uit het privilege van geldschepping dat banken zich hebben toegeëigend. Het wordt versterkt doordat banken hun bankgeld met rente belasten. Aan beide maakt de transitie een einde. De staat brengt het betaalmiddel dan exclusief en schuldvrij in omloop. De geldsomloop wordt dan in beginsel niet meer belast met rente. De maatschappij krijgt vrij betaalvermogen (volgeld) in handen om rente dragende schulden mee af te lossen.

Evengoed maken rekeninghouders na de transitie geen aanspraak meer op rente van de bank. Vóór de transitie hebben banken het spaargeld in leen. Het staat op hun balans en ze gebruiken het voor hun eigen rekening en risico. Na de transitie hebben ze het alleen nog in bewaring. Daarvoor zullen ze eerder een vergoeding vragen, dan rente betalen.

“In het huidige monetair bestel zijn banken eeuwig schuldeiser en is de maatschappij eeuwig schuldenaar”

Sparen en investeren

De spaarder gaat er echter niet op achteruit. De transitie heeft zijn schulden verminderd en/of hem vrij vermogen in handen gegeven. Bovendien behoeft spaarrente geen compensatie meer te bieden voor geldontwaarding. Het huidige geldstelsel is berekend op aanhoudende inflatie; spaargeld wordt naar verloop van tijd minder waard. Institutioneel wordt nu gestuurd op een geldontwaarding van bijna 2%. Na de transitie wordt deze structurele geldontwaarding beëindigd. De staat gaat sturen op absolute stabiliteit van de munt. Geldontwaarding wordt niet meer getolereerd. Spaargelden behouden hun waarde. Maar spaargelden groeien niet door ze enkel te sparen.

Wie zijn vermogen wil laten groeien moet het niet sparen maar gebruiken. Dat wil zeggen: hij laat het niet op een rekening staan maar leent het uit, belegt of investeert het. Daar is dan risico aan verbonden. Sparen wordt volkomen risicoloos maar ook zonder rendement. Wie wel rendement wil behalen aanvaardt bijbehorende risico’s. Het systeem wordt eenvoudiger en transparanter.

Na de transitie moet het bankbedrijf zich gaan richten op het aantrekken van geld. Dit met het doel dat geld uit te zetten waar dat nodig en rendabel is. Dit aantrekken van geld wordt geen sparen meer genoemd. Om geld beschikbaar te krijgen moeten banken vertellen wat ze ermee gaan doen. Wie op hun aanbod ingaat leent geld uit, belegt of investeert het. Hij draagt daarbij risico. Dat is iets anders dan sparen.

“Geldontwaarding wordt niet meer getolereerd. Spaargelden behouden hun waarde.”

Een goede geldsomloop

Na de transitie is de staat verantwoordelijk voor een goede geldomloop. Ze heeft dan onder andere te zorgen dat er voldoende geld in omloop is zodat de burgers in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Het idee dat je moet lenen om te leven wordt achterhaald. De samenleving draait niet meer op bankkrediet. Ze draait op haar eigen productieve vermogen dat ze mobiliseert en toedeelt door een goede rentevrije geldsomloop.

Door de transitie is de maatschappelijke schuldenlast sterk verlicht. Er is meer vrij vermogen in handen van de burgers gekomen. Er is minder reden om geld te lenen. Primaire levensbehoeften kunnen zonder bankkrediet worden voorzien. Wat je voor je bestaan nodig hebt moet je volle eigendom kunnen zijn. Die welvaart is er ook. Zij is nu alleen ongelijk verdeeld. De schuldsanering tot het beloop van het uitgekeerde ‘burger dividend’ is een cruciale eerste stap om dat te corrigeren.

“Het idee dat je moet lenen om te leven wordt achterhaald.”

Verdere stappen worden gevonden in de groei van de geldhoeveelheid. Deze wordt qua omvang bepaald door de behoefte die er is aan geld, bij een stabiele munt. In het huidige stelsel komt de geldgroei terecht bij degenen die het meest kredietwaardig zijn. Na de transitie komt de groei daar waar de behoefte is. We mogen dan gaan denken aan bestrijding van honger en armoede, bestrijding van verspilling en vervuiling, en voorziening van onderwijs, zorg en infrastructuur. De politiek krijgt iets opbouwends te kiezen, en kan aan oplossing van hardnekkige problemen gaan werken.

De monetaire ruimte die er is voor nieuw geld kan direct worden ingezet ter leniging van de grootste noden. Zonder rente, maar vooral ook zonder schuld en plicht tot terugbetaling. Geld is er om schulden te betalen. Niet om schulden te vervangen door andere schulden. Zeker niet wanneer het gaat om de meest behoeftigen.

“We mogen dan gaan denken aan bestrijding van honger en armoede, bestrijding van verspilling en vervuiling, en voorziening van onderwijs, zorg en infrastructuur. De politiek krijgt iets opbouwends te kiezen”

De monetaire macht

De totale geldhoeveelheid zal actief moeten worden gestuurd. De transitie onttrekt dit bestuur aan de winstzucht van de bankier. Evengoed zal het niet onderworpen mogen zijn aan het opportunisme van de politiek. Daarom wordt het ondergebracht bij een ** onafhankelijke machtannotatieTraditioneel kent de staat drie machten die elkaar in evenwicht houden. Twee ervan zijn politiek gestuurd: de wetgevende macht en de uitvoerende macht. De derde -de rechterlijke macht- staat los van de politiek. In het nieuwe model (na de transitie) wordt het maatschappelijke machtsmiddel bij uitstek (de geldsomloop) eveneens aan het rechtstatelijk beheer toevertrouwd. Gezien het autonome belang ervan wordt dit niet aan de uitvoerende macht overgelaten. Het wordt als zelfstandige niet aan de politiek onderworpen macht geconcipieerd. Men noemt het wel ‘de vierde macht’. De uitoefening van die macht geschiedt volgens constitutionele maatstaven. Ze is onderworpen aan toezicht maar niet aan politiek. binnen de staat; de Monetaire Autoriteit (MA). Net zoals de rechterlijke macht staat deze los van de politiek.

De MA is belast met het monetair beheer. In essentie gaat het daarbij om stabiliteit van de waarde-eenheid (de munt) en een goede geldsomloop. Dit wordt een mijlpaal in de geschiedenis. Voor het eerst is het monetair beheer geen privilege van keizer, koning of bankier. Het wordt dienstbaar aan het algemeen welzijn. Het wordt transparant uitgevoerd en er wordt verantwoording over afgelegd.

Historisch is monetair beheer in de coulissen gebleven. Dat verklaart de verwarrende en schimmige monetaire berichtgeving in de krant. Door economen werd het weggeredeneerd, of ze hangen het op aan de beschikbaarheid van zilver en goud, of ze laten het aan de winstzucht van bankiers. Wat traditioneel het werk is van ‘onzichtbare handen’ wordt zichtbaar en afrekenbaar gemaakt. De mensheid gaat verantwoordelijkheid nemen en -afleggen voor zijn uitvinding: geld.

“de geldschepping wordt ondergebracht bij een onafhankelijke macht binnen de staat. Net zoals de rechterlijke macht staat deze los van de politiek”

Volwassen democratie

De transitie brengt een andere staat dan die we nu kennen. Grote maatschappelijke macht wordt bij banken weggenomen en bij de staat en de burgers neergelegd. Rechtspersonen krijgen minder invloed. Burgers krijgen meer ruimte om invloed uit te oefenen. Democratie krijgt meer substantie. Met de monetaire macht in handen krijgt de staat veel meer voor elkaar.

Het essentiële maatschappelijke machtsmiddel -geld- wordt onder democratische controle gebracht. Dat schept verplichtingen voor de burgers. Ze staan niet langer aan de kant om aan te zien hoe financiële instellingen de wereld scheppen en beschadigen. Deze scheppingskracht is collectief bezit geworden. De staat en de burgers kunnen en moeten nu ook zelf aan de bak. De moderne democratie ontgroeit haar kindertijd. De grootste macht krijgt ze onder haar hoede. Meer dan nu zal ze zichzelf ernstig moeten nemen, en gedaan krijgen wat ze voornemens is.

Dit mag testen hoezeer wij in parlementaire democratie kunnen geloven. Deels wordt het een proeftuin voor hoe het beter kan. Betere welvaartsverdeling geeft ruimte voor directe democratie. Niet alles hoeft bespreking in het parlement. Veel sturing kan door directe eigen keuzes worden gegeven. Als burgers het vermogen maar hebben die keuzes te maken en te effecturen. De transitie geeft hen dat.

Eigen initiatief en zelfredzaamheid worden nu vanuit de versobering beleden. Na de transitie kan het ten volle in praktijk worden gebracht. Vormgeving van de wereld is dan minder het werk van centrale en ondoorzichtige instituten. Het wordt meer het domein van de alledaagse ervaring en praktijk. Daar is minder behoefte aan concurrentie en juist meer aan samenwerking en betrokkenheid.

“Het essentiële maatschappelijke machtsmiddel -geld- wordt onder democratische controle gebracht. Dat schept verplichtingen voor de burgers. Ze staan niet langer aan de kant om aan te zien hoe financiële instellingen de wereld scheppen en beschadigen.”

Realisme of utopie?

Wat begint met een boekhoudkundige ingreep brengt een omwenteling in de maatschappij. Is dat realisme of utopie? Monetaire hervorming richt zich vooral op de onjuistheid van het huidig systeem. Het postuleert hoe het beter kan binnen de technische kaders van het huidig bestel. Voorgaande uiteenzetting gaat bewust iets verder. Het beoogt de monetaire sfeer te overstijgen en ogen te openen voor het hervormingsbelang.

De transitie zelf kan gerust noodzakelijk en realistisch worden genoemd. De verdere maatschappelijke extrapolaties zijn nu nog wat speculatief. Repareert de hervorming alleen tekortkomingen van het geldwezen? Of plaatst het nagenoeg alle maatschappelijke issues in een ander kader? Geen kader van schaarste, rente en schuld aan de bank. Maar kaders van mogelijkheden. Van maatschappelijk potentieel dat wordt gemobiliseerd en ten volle wordt ingezet voor welvaart en welzijn. Waarbij eigen keuzevrijheid dominanter wordt dan rendement voor de financier. Dat is een hele andere wereld dan waarin we nu leven. Een wereld die een boekhoudkundige ingreep van ons verwijderd is.

“Geen kader van schaarste, rente en schuld aan de bank. Maar kaders van mogelijkheden”

Naschrift: staat of lidstaat?

In het voorgaande praten we steevast over ‘de staat’. Het gaat daarbij om een staat die zijn eigen waarde standaard zet en beheert. Nederland is in dit opzicht geen staat maar een lidstaat van de Euro-unie. Monetaire hervorming speelt op het niveau van de algemene waarde-eenheid, de munt. Het voltrekt zich dus op het niveau van de Euro-unie. Die unie is de feitelijke staat waarin we ons bevinden. Monetaire hervorming laat ons dat onder ogen zien. Wie het anders wil opteert voor een eigen munt en maakt zijn lidstaat weer tot staat.

Naschrift: monetaire hervormers

De hier geschetste transitie is ontleend aan het werk van diverse monetaire hervormers, met name: James Robertson, Joseph Huber, Stephen Zarlenga, Michael Kumhof en Ben Dyson (Positive Money, PM). In hoofdzaak volgen ze allen dezelfde gedachtelijn. Geldcreatie moet constitutioneel worden geregeld. Banken moeten bankieren maar niet met zelf gemaakt geld. Ze moeten het doen met geld dat de staat beschikbaar stelt. Vanuit hun verschillende expertises leggen ze verschillende accenten. Toch stemmen ze opvallend genoegd in hoofdlijnen overeen.

“Banken moeten bankieren maar niet met zelf gemaakt geld. Ze moeten het doen met geld dat de staat beschikbaar stelt.”

Voorgaande schets volgt in het bijzonder de uitwerking van ** Michael Kumhof.annotatieThe Chicago Plan Revisited, Jaromir Benes and Michael Kumhof, revised draft of februari 2013. Van hem komt het idee om de transitie met een maatschappelijke ‘big bang’ te paren, in de vorm van het burger-dividend. Hij komt tot dit voorstel op rationeel economische grond. Voorgaande schets geeft daar een verdere maatschappelijke en politieke getinte invulling aan. Het moge de enorme impact en maatschappelijke bate ervan voor ieder begrijpelijk maken.

Edgar Wortmann voor Stichting Ons Geld
© 2014


Definities

Bankgeld: door banken gecreëerd giraal geld. Het wordt door de bank gecreëerd bij kredietverlening en gaat teniet bij afbetaling van dat krediet. Het bestaat in de vorm van een vordering op de bank.

Giraal geld: geldmiddelen aangehouden op een bankrekening. Vóór de transitie valt giraal geld samen met bankgeld. Na de transitie met volgeld.

Volgeld: door de staat gecreëerd en in omloop gebracht schuld- en rentevrij geld. Het wordt in omloop gebracht ten behoeve van een goede geldsomloop bij een stabiele waarde-eenheid (munt). Het bestaat als geld op zich. Eigendom van dit geld kan jegens iedereen geldend worden gemaakt. Het is onvernietigbaar, d.w.z. het is geen schuld die moet worden terugbetaald, waarbij het geld weer teniet gaat. Het is zuiver betaalmiddel.