Geld is geen gewoon product. Van geld hebben velen nooit genoeg. Dat is een ongewone eigenschap. Vergelijk het bijvoorbeeld met brood. Met een bepaalde hoeveelheid is de dagelijkse broodbehoefte van iedereen te bevredigen. De vraag naar brood is daarmee begrensd. Brood heeft bovendien een kostprijs. Het aanbod zal opdrogen naarmate de marktprijs onder deze kostprijs daalt. Het is dan ook verdedigbaar om de markt voor brood te concipiëren als een markt van vraag en aanbod, waarbij de marktprijs het volume intermedieert. Voor geld ligt dat echter minder voor de hand.

De potentiele vraag naar geld is onbegrensd. Als gezegd, velen hebben er nooit genoeg van. De kosten van vervaardiging en beschikbaarstelling van geld zijn gering. Bepaling van de optimale geldhoeveelheid op basis van een vraag-aanbod-marktprijs-mechanisme zou dwaas zijn. Het zou leiden tot een overvloed van geld, tegen een zeer lage prijs. Dit is bovendien een zelfversterkend proces. De vraag naar brood wordt met broodschepping bevredigd. De vraag naar geld daarentegen wordt met geldschepping steeds groter. Bediening van de vraag naar geld doet de prijzen (van alles behalve geld) stijgen, waardoor ook anderen behoefte krijgen aan meer geld. Toepassing van het vraag-aanbod-marktprijs-mechanisme op geld leidt aldus tot hyperinflatie.

De vraag naar geld

De vraag naar geld kan ook anders worden bekeken. Het gaat dan om de vraag die het publiek heeft naar reëel geld dat rendementloos, stabiel en veilig is. Deze vraag wordt niet beheerst door de prijs van geld, maar door de nutsfunctie ervan: betaalmiddel, buffer en zekerheid. Thans is deze geldvraag onbediend. Het veilige geld bestaat niet, althans niet in handzame digitale vorm. Bovendien ondermijnt de overheid deze geldvraag door subsidiering van bankkrediet en bancaire kredietverlening. Het publiek wordt niet gevraagd te kiezen tussen risicovol en risicoloos. Het gehele geldsysteem is door nalatigheid van de overheid risicovol; het publiek heeft geen keuze.

De vraagzijde speelt in de overweging van Ons Geld een belangrijke rol. Deze begint ermee dat het geldstelsel haar basis dient te hebben in een risicoloze publieke geldsfeer, en dat het publiek de keuze moet hebben tussen veiligheid en risico. Op die basis valt de optimale publieke geldhoeveelheid door vraagsturing te bepalen.

De vraag naar krediet

Net als bij geld is de potentiele vraag naar krediet ongelimiteerd. Ook de kostprijs van krediet kan nagenoeg nihil zijn. Wel kan bij krediet sprake zijn van rente, wat een sturende factor is voor de effectieve vraag naar bancaire kredietverlening. Deze rente wordt in hoge mate beheerst door beleid en profijt-verwachting van het bankwezen. Aldus stuurt het bankwezen zelf in belangrijke mate de vraag naar bancaire kredietverlening.

Bancaire kredietverlening kent net als geld, een zichzelf versterkend proces, waarbij toenemend kredietaanbod de kredietvraag opdrijft. Dit is bijvoorbeeld te zien op de huizenmarkt. Het kredietaanbod doet de huizenprijzen stijgen, waardoor de vraag naar krediet meestijgt. Als de banken dat willen groeit het kredietaanbod elastisch met de vraag mee. De rente kan daarbij stijgen of dalen, al naargelang de profijtverwachting van de banken.

Het kredietaanbod

Het bancaire kredietaanbod wordt thans niet bepaald door de beschikbaarheid van geldmiddelen voor gelduitlening. Dit vanwege bancaire geldschepping. Het kredietaanbod wordt bepaald door profijt-verwachting en beleid van het bankwezen. Het wordt top-down aangestuurd vanuit de bank-hoofdkantoren. Eerst wordt krediet verleend, daarna wordt gezocht naar de middelen ter financiering ervan. De kredietverlening voedt daarbij de financieringsbronnen voor bancair krediet. Het zelfversterkend effect van kredietexpansie cumuleert daarmee binnen het bankwezen en kan zelfs worden geëxploiteerd door dat bankwezen.

In de boom-tijd wordt de kredietvraag stelselmatig opgedreven. In de bust-tijd wordt de kredietvraag door het bankwezen eenvoudigweg niet bediend. Dit was bijvoorbeeld terug te zien in de periode na de crisis. Ondanks brede beschikbaarheid van geldmiddelen voor uitlening stagneerde de kredietverlening aan het MKB. De oorzaak lag niet in een vraaguitval, en ook niet in een gebrek aan rendement zoekend kapitaal, maar in het beleid en de profijt-verwachting van het bankwezen. Dit noopte de overheid zich actief in te laten met MKB-kredietverlening en de daarmee gepaard gaande risico’s.

De veronderstelling dat kredietvraag en -prijsvorming in het huidige stelsel optimaal allocerende bottom-up factoren zijn, is een misvatting. Bancaire geldschepping is thans niet vraag-gestuurd en gedecentraliseerd, zoals door economen wel wordt beweerd. Het aanbod is in hoge mate autonoom en leidend en wordt vanuit de bank-hoofdkantoren centraal gestuurd. Verdere consolidatie van het bankwezen betekent verdere concentratie van de macht om het kredietaanbod te beheersen en daarmee, zeker in de boom-tijd, de kredietvraag te sturen.

Marktwerking in kredietverlening

Ons Geld opteert voor meer evenwichtigheid en meer marktwerking ten aanzien van kredietverlening. Het publiek, in de hoedanigheid van gelduitlener, dient meer invloed te krijgen. Het dient inzicht te hebben in de aanwending van haar uitgeleende geldmiddelen en de risico’s daarvan. Op basis daarvan kan de prijs van krediet, de rente, dan worden bepaald. Banken kunnen daarbij een intermediaire rol vervullen. Zij brengen vraag naar, en aanbod van gelduitlening dan bij elkaar en maken risico’s inzichtelijk. De rente is daarbij een weerspiegeling van de bij desbetreffende gelduitlening horende risico’s, en van de vraag en het aanbod van geld met die bestemming en dat risicoprofiel.

De overheid heeft daarbij een belangrijke rol te vervullen. Zij moet zorgen voor een voldoende en goed gespreide geldomloop (digitaal chartaal overheidsgeld) zodat het publiek voldoende geldmiddelen heeft om een deel daarvan risicovol uit te kunnen lenen. Bovendien dient ze een gelijk speelveld te creëren voor gelduitleners. In beide schiet de overheid thans ernstig tekort. Ze verzuimt te zorgen voor de geldomloop en bestendigt een vorm van bankentoezicht, depositogaranties en centrale rentesturing die de mededinging op de kredietmarkt beperken, verhinderen en vervalsen.

Edgar Wortmann – 10 februari 2016 - Oorspronkelijk verschenen in het Memorandum over het Geldstelsel opgesteld in het kader van burgerinitiatief Ons Geld.

Download als pdf.