Leerboeken typeren geld doorgaans met de woorden: rekeneenheid, ruilmiddel en oppotmiddel. Dat is merkwaardig. Een korte analyse mag illustreren hoe weinig verhelderend deze begrippen zijn in verband met geld, en dat er veel betere begrippen voor handen zijn.

Rekeneenheid?

De eenheid waarin wij plegen te rekenen is het cijfer 1. Dit cijfer en dus de rekeneenheid is voor geld niet speciaal onderscheidend. Wel onderscheidend is dat geld een waarde-eenheid vestigt binnen een gemeenschap. Anders dan het cijfer 1 is dat geen objectief maar een arbitrair gegeven; een conventie.

Waarde-eenheid

Geld is primair een conventie op basis waarvan verschillende zaken op basis van hun waarde vergelijkbaar worden. Als deze arbitraire waarde-eenheid gevestigd is kan al wat waarde heeft en overdraagbaar is als ruil- of betaalmiddel gaan fungeren. Op basis van de waarde-eenheid kan immers worden bepaald hoeveel van welk goed te ruilen is voor een ander goed, of te gebruiken is ter betaling van een bepaalde schuld. Al deze goederen plegen wij echter geen geld te noemen; hooguit ruilmiddel.

Ruilmiddel?

Onder een waarde-eenheid is nagenoeg alles als ruilmiddel te gebruiken. Dit woord is dan ook weinig onderscheidend voor geld, en zelfs geheel ontoepasselijk. Gebruik van geld bewerkstelligt dat er juist geen ruil plaats vindt. Door betaling van een geldsom hoef je niet te ruilen en heb je geen ruilmiddelen nodig. Je betaalt met geld. De ontvanger verkrijgt daardoor bepaalde betaalkracht die hij later zelf kan gebruiken. Betaling met geld is geen ruil maar een overdracht van betaalkracht. Het woord ruilmiddel zou in verband met geld juist vermeden moeten worden. Alles behalve geld is ruilmiddel.

Geld is een bijzonder soort betaalmiddel dat in haar zuivere abstracte vorm zelf geen waarde heeft, maar zuivere betaalkracht belichaamt, die ook op later moment kan worden gebruikt. Digitalisering maakt het mogelijk dat het geld in de praktijk deze zuivere abstracte vorm gaat aannemen.

Oppotmiddel?

Wie ter betaling geld ontvangt wil natuurlijk dat hij gelijke betaalkracht kan gebruiken als hij ter betaling ontvangen heeft. Zou die betaalkracht in de loop van de tijd afnemen, dan zou hij achteraf een te lage prijs hebben gerekend. Voor geld is het dan ook gewenst dat het zijn betaalkracht behoudt. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Sinds de oudheid is bekend dat de mens zelf verantwoordelijk is voor de geldigheid en betaalkracht van geld (Aristoteles, Ethica, 1133). Geld is een menselijke uitvinding en bijgevolg ook een menselijke verantwoordelijkheid. Een die ze bewust en bekwaam en maatschappelijk verantwoord moet gaan dragen.

Verantwoord beheer

Het kunnen oppotten van geld is dan ook geen intrinsieke kwaliteit van geld maar een praktisch en ethisch imperatief voor een goed geldstelsel. Het behoud van die betaalkracht komt aan op een goed en maatschappelijk verantwoord beheer van dat geldstelsel.

Edgar Wortmann – 10 februari 2016 - Oorspronkelijk verschenen in het Memorandum over het Geldstelsel opgesteld in het kader van burgerinitiatief Ons Geld.

Download als pdf